Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.3.3

Persoonlijke verzorging

Onderdeel van Uitvoeringsregels maatwerkvoorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2016

Met ingang van 1 januari 2015 is 5% van de persoonlijke verzorging van de AWBZ overgeheveld naar de Wmo 2015 7 Informatiekaart Afbakening Wmo 2015 en wijkverpleging Zvw (Transitiebureau). In de Wmo 2015 is persoonlijke verzorging een vorm van individuele begeleiding of maakt persoonlijke verzorging onderdeel uit van de groepsbegeleiding en betreft dan ondersteuning bij het uitvoeren van noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Een cliënt kan op grond van de Wmo aanspraak maken op persoonlijke verzorging wanneer deze geen verband heeft met somatische of psychogeriatrische aandoeningen, of lichamelijke beperkingen. (Zie http://www.zorginstituutnederland.nl/pakket/awbz-kompas/grondslagen+awbz voor uitleg van de ziektebeelden.) Dit betekent dat de aanspraak op persoonlijke verzorging verband houdt met de zelfredzaamheid met betrekking tot het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Hiermee is persoonlijke verzorging een onderdeel van begeleiding. Er komt dan geen lichamelijke hulp aan te pas. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen met een zintuiglijke, verstandelijke of psychiatrische beperking. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn met name de volgende algemeen dagelijkse levensverrichtingen van belang : in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken en medicijnen innemen. Een cliënt kan op grond van de Zvw aanspraak maken op persoonlijke verzorging wanneer er behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die plegen te bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg (artikel 2.4 Besluit zorgverzekering). Artikel 2.10 Besluit zorgverzekering spreekt over ‘een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’. Deze zinsnede geeft aan dat zorg vanuit de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking, maar die wel een ‘hoog risico’ hierop hebben, zoals ouderen met een lichamelijke aandoening of beperking of met dementie of, in het algemeen, mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg (zie https://www.zorginstituutnederland.nl/pakket/zvw-kompas/verpleging+in+de+wijk). Het kan van belang zijn bij deze cliënten alert te zijn op de behoefte aan verpleegkundige zorg dan wel een behoefte te voorkomen. Door de cliënt te observeren, kunnen problemen worden gesignaleerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan signaleren van symptomen van decubitus, uitdroging, smetten, verslechtering van de fysieke en/of psychische situatie en het in de gaten houden van therapietrouw. Tijdige signalering hiervan voorkomt ernstigere aandoeningen die gepaard kunnen gaan met bijvoorbeeld ziekenhuisopnames en daardoor ook hogere kosten. De observatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden via ADL-ondersteuning (al of niet dagelijks) en deze ADL-ondersteuning valt dan in deze gevallen onder ‘zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden’. In de praktijk is er sprake van grijze gebieden. In deze situaties wordt afstemming gezocht met de wijkverpleegkundige uit het sociale wijkteam of de wijkverpleegkundige die betrokken is bij de situatie van een burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel