Naar hoofdinhoud
1.. Het college informeert de raad door middel van minimaal twee tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting. 2.. De tussentijdse rapportage wordt aan de raad aangeboden op het tijdstip zoals jaarlijks vastgelegd in de bestuurlijke planning. 3.. De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de indeling van de begroting. 4.. In de rapportage wordt in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen betreffende beoogde beleidsdoelstellingen, beoogde maatschappelijke effecten, beoogde prestaties en op afwijkingen betreffende geautoriseerde baten en lasten. 5.. De tussenrapportage bevat een bijgestelde raming van: de baten en lasten per programma; het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen; het resultaat voor bestemming volgend uit de onderdelen a en b; de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; het resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen c en d. 6.. De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen van de programma’s bijstelling behoeven.

Rechtspraak bij dit artikel