Het dagelijks bestuur biedt de voorlopige jaarrekening over het
afgelopen jaar, onder toevoeging van een verslag van het
onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening, ingesteld
door de krachtens artikel 27, tweede lid, van deze regeling
aangewezen deskundigen, en van hetgeen het dagelijks bestuur te
zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende
bescheiden jaarlijks vóór 1 april ter vaststelling aan het
algemeen bestuur aan onder gelijktijdige toezending aan de
besturen van de deelnemende gemeenten.
Het algemeen bestuur onderzoekt de rekening zonder uitstel en
stelt haar vast vóór 1 juli van het jaar volgend op het jaar
waarop de rekening betrekking heeft. Van de vaststelling doet
het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende
gemeenten.
Zij wordt terstond doch in ieder geval vóór 15 juli met alle
bijbehorende stukken toegezonden aan Gedeputeerde Staten.
De vaststelling van de rekening ontlast de leden van het
dagelijks bestuur van het daarin verantwoorde financieel beheer,
behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.
In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo
opgenomen. Het bepaalde in artikel 31 is van overeenkomstige
toepassing.