Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.2.

Artikel 16

Algemene regels over het persoonsgebonden budget

Onderdeel van Nadere regels voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016

16.1 Verlening en vaststelling van een persoonsgebonden budget Een persoonsgebonden budget wordt verleend voor een periode die niet eerder aanvangt dan op de dag waarop het persoonsgebonden budget is aangevraagd. Vaststelling van het persoonsgebonden budget vindt plaats na verantwoording, met uitzondering van het eenmalig persoonsgebonden budget voor de vervoerskosten voor het gebruik van een (eigen) auto of een (rolstoel)taxi. Het is de budgethouder niet toegestaan om te schuiven tussen verschillende onderdelen waarvoor een budget is verstrekt (bijvoorbeeld tussen begeleiding en vervoer en hulp bij het huishouden. Het is een budgethouder toegestaan om het ene onderdeel (geheel) in zorg in natura te ontvangen, terwijl een ander onderdeel (geheel) als pgb wordt bekostigd. (Bijvoorbeeld de logeeropvang in ZIN en de begeleiding als PGB ). Wanneer een inwoner van de gemeente Berg en Dal aanspraak wil maken op een Pgb, dan dient deze hiervoor een Budgetplan aan de gemeente te overleggen. Behalve een plan voor de bekostiging van de benodigde zorg, wordt hierin ook aangegeven hoe men voldoet aan de voorwaarden uit de Jeugdwet (artikel 8.1.1, tweede lid) of de Wmo (voldoende eigen kracht, motivering en waarborgen voor de kwaliteit). Afhankelijk van het type hulp dat wordt gevraagd kunnen eisen worden gesteld om de kwaliteit van de zorg die via een Pgb wordt ingekocht te waarborgen. Bijvoorbeeld dat aan de gemeente wordt doorgegeven wie de hulp verleent, dat een VOG moet worden overgelegd of dat voor bepaalde vormen van hulp een geregistreerde professional nodig is. 16.2 Budgetperiode en tussentijdse verstrekking Het eenmalig persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de gemiddelde levensduur (zie bijlage 2: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2016) die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening. Indien de periode waarvoor een eenmalig persoonsgebonden budget is verstrekt nog niet is verstreken kan een –aanvullend- persoonsgebonden budget worden verstrekt in de volgende situaties: Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die aanpassing dan wel vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk maken Er is sprake van een calamiteit die belanghebbende niet te verwijten is. Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de budgetperiode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten. 16.3 Betaling van het eenmalig persoonsgebonden budget Het eenmalig persoonsgebonden budget wordt uitsluitend betaalbaar gesteld door overmaking op een door de aanvrager of diens gemachtigde opgegeven bankrekeningnummer. In overleg met de persoon aan wie het eenmalig persoonsgebonden budget is verleend, wordt het persoonsgebonden budget betaalbaar gesteld ná de dag waarop het besluit tot verlening aan belanghebbende verzonden is. Onverminderd het bepaalde in lid 2, wordt het eenmalig persoonsgebonden budget op een zodanig moment betaalbaar gesteld dat de aanvrager in staat is om de noodzakelijk geachte voorziening tijdig te realiseren. De uitbetaling van een eenmalig persoonsgebonden budget vindt in beginsel in één keer plaats. Een uitzondering geldt voor een eenmalig persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing van meer dan € 10.000,- . Dit persoonsgebonden budget kan in termijnen worden verstrekt. Het schema van de periodieke betalingen wordt in overleg met de belanghebbende opgesteld. De (periodieke) betaling van een persoonsgebonden budget kan worden opgeschort als de aanvrager/budgethouder één of meer verplichtingen van dit Besluit of de Verordening niet nakomt. 16.4 Algemene verplichtingen Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: de budgethouder gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor betaling van een voorziening(en) als genoemd in de toekenningsbeschikking en daaraan noodzakelijk verbonden kosten; De budgethouder dient zelf een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan; De budgethouder dient zelf een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren in overeenstemming met artikel 2 van die wet; De budgethouder bewaart de rekening(en) en betalingsbewijzen van de met het persoonsgebonden budget verworven geïndiceerde voorziening gedurende vijf jaar of, indien de normale afschrijvingsduur langer is dan deze termijn, in overeenstemming met deze langere termijn, en stelt deze, desgevraagd, ter beschikking van het college; 16.5 Bijzondere verplichtingen bij het persoonsgebonden budget voor dienstverlening: Ten behoeve van de verlening van het persoonsgebonden budget op basis van het trekkingsrecht, levert de budgethouder alle noodzakelijke gegevens daarvoor aan bij de Sociale Verzekeringsbank. In het kader van de invoering van het trekkingsrecht kan iedere gemeente enkele beleidskeuzes te maken. De gemeente Berg en Dal heeft de volgende keuzes gemaakt. Reiskosten die de zorgverlener maakt kunnen worden vergoed uit een PGB. Deze zijn onderdeel van het integrale pgb-tarief en het budgetplan. De SVB beoordeelt zelf afwijkende bestedingspatronen of voortijdig budget-uitputting. Hierover vindt communicatie naar gemeente plaats. Na overlijden van een budgethouder, kan de achterblijvende partner indien nodig nog maximaal 6 weken gebruik blijven maken van de dienstverlening die uit het Pgb wordt bekostigd. Het is de budgethouder NIET toegestaan om: Een zorgovereenkomst met partner of familielid af te sluiten. In uitzonderingsgevallen is een zorgovereenkomst met een partner of familielid wel mogelijk: dit wordt n.a.v./in keukentafelgesprek bepaald; Een feestdagen uitkering uit het Pgb uit te betalen; Een deel van het Pgb aan te wenden als vrij besteedbaar bedrag; Uit het Pgb een eenmalige uitkering uit te betalen; Bemiddelingskosten te betalen uit Pgb; Uit het Pgb extra kosten te betalen aan de aanbieder wanneer er via een acceptgiro wordt gefactureerd; 16.6 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten wordt bepaald aan de hand van het ondersteuningsplan en het budgetplan en is afhankelijk van: De mate van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie; Het te bereiken resultaat zoals de cliënt en/of zijn ouders en de zorgaanbieder zijn overeengekomen; De begroting (budgetplan) voor de ondersteuning die de cliënt toevoegt bij het ondersteuningsplan. Het PGB wordt op basis van deze begroting vastgesteld en is maximaal gelijk aan een percentage van de goedkoopst compenserende oplossing in natura. Dit percentage is afhankelijk van het type hulpverlener. Wanneer de budgethouder toch een duurdere voorziening wil inkopen, dan kan dit, maar betaalt de budgethouder het meerdere zelf. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp in te kopen. Het maximale tarief is een all-in tarief waarin alle kostencomponenten zijn verdisconteerd. Hieronder vallen sowieso de volgende kosten: salaris, vervanging tijdens vakantie, werkgeverslasten, verzekeringen, reiskosten, arbeidsomstandigheden, administratie, regelkosten. Gemeenten mogen verschillende tarieven hanteren, afhankelijk van de mate van deskundigheid van de ingehuurde ondersteuning. De hoogte van het persoonsgebonden budget is derhalve afhankelijk van het soort hulpverlener. De gemeente Berg en Dal onderscheidt de volgende types hulpverleners 1 BMC heeft onderzocht welke percentages per zorgverlener gehanteerd zouden kunnen worden voor het bepalen van de PGB tarieven als percentage van de ZiN-tarieven naar zorgsoort. Het advies was om de volgende percentages te hanteren: Instellingen 90% van ZiN zorgsoort tarief; gekwalificeerde ZZP’ers 75% van Zin zorgsoort tarief en Niet gekwalificeerde ZZP’ers 50% van ZiN zorgsoort tarief. : Professionele zorgverlener: Het persoonsgebonden budget is maximaal gelijk aan 90 procent van het tarief voor de desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder. Niet professionele zorgverlener: Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal 75 procent van het tarief voor desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder. Een zorgverlener uit het eigen sociale netwerk; Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal 50 procent van het tarief voor de desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder. Ten aanzien van bovenstaande tarieven geldt dat voor het budget in elk geval minimumloon kan worden uitbetaald. Wanneer in het specifieke individuele geval het tarief niet toereikend is om kwalitatief goede zorg in te kopen zal het tarief van de naar het oordeel van het college de goedkoopst passende voorziening in natura worden gehanteerd. Aanvullend kan ook altijd een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule. 16.7 Weigering verstrekking persoonsgebonden budget Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel