Reserves kunnen één of meer van de volgende functies vervullen:
De financieringsfunctie: Op grond van de Wet financiering decentrale overheden (de Wet fido) moeten alle investeringsuitgaven worden gefinancierd met langlopende middelen. Dit kan in de vorm van eigen vermogen (reserves) of vreemd vermogen (langlopende geldleningen en/of voorzieningen);
De bestedingsfunctie:Een reservering om te zijner tijd de realisering van activa mogelijk te maken. In dergelijke gevallen wordt het gereserveerde bedrag gebruikt voor de dekking van de investeringsuitgaven. Bij reserves met een bestedingsfunctie is een onderscheid te maken tussen eenmalige, op korte termijn te realiseren doelen, meestal in de investeringssfeer en in de tijd gezien ongelimiteerde doelen, waarvoor steeds naar behoefte een beroep op de reserve wordt gedaan;
De bufferfunctie: De reserves maken het mogelijk noodzakelijke aanpassingsprocessen geleidelijk en dus niet schoksgewijs te laten verlopen en onverwachte tegenvallers op te vangen;
De inkomensfunctie: De bespaarde rente over de reserves kan worden teruggeleid naar de begroting om daar te fungeren als dekkingsmiddel. Als dat wordt toegepast dan kan/kunnen de desbetreffende reserve(s) niet meer aangewend worden, tenzij budgettair dekking wordt gevonden voor de wegvallende rente-inkomsten. Vooral in financieel krappe tijden brengt dat met zich mee dat reserves die als inkomstenbron functioneren ter dekking van structurele uitgaven volledig 'immobiel' zijn. Vandaar dat in die gevallen ook wel wordt gesproken van geblokkeerde reserves.