In dit hoofdstuk geven we het (bestaande) beleidskader van de gemeente Zandvoort weer met betrekking tot de reserves, voorzieningen en de weerstandscapaciteit (zie programbegroting 2015 in de paragraaf Financiële beleidskaders).
De weerstandscapaciteit wordt gevormd door de algemene reserve en de bestemmingsreserves. De weerstandscapaciteit dient voldoende te zijn om de aanwezige risico’s te dekken.
De minimumbuffer van de algemene reserve wordt ingaande 2015 vastgesteld op € 5.000.000. Indien de Algemene reserve onder dit niveau is, dient de Algemene reserve binnen 4 jaar op niveau te worden gebracht.
Het jaarrekeningresultaat in enig jaar zal in eerste instantie worden gebruikt voor het op peil houden van de algemene reserve. Uitzondering hierop vormt een mogelijk overschot op personele middelen. Bij een eventueel overschot op personele middelen zal aan het eind van het kalenderjaar worden bezien of dit overschot wordt gestort in Reserve “Van werk naar werk” (besloten bij Jaarrekening 2012).
Het reserve- en voorzieningenbeleid van de gemeente Zandvoort is in principe gericht op de volgende zaken:
Beperkt aantal met een reële omvang;
Bestendige gedragslijn voor de efficiënte en effectieve aanwending van de middelen.
Het beleid ten aanzien van reserves is dat alleen de raad hiervan de bestemming kan wijzigen. Vanwege de aard van een voorziening kan de bestemming van een voorziening niet worden gewijzigd. Voor de reserves en voorzieningen zal gelden dat elk jaar de raad de omvang vaststelt bij de programbegroting waarin bij de financiële positie uitgebreid aandacht besteed wordt aan de omvang van de reserves en voorzieningen. Mocht een voorziening gedurende het jaar verplicht moeten worden ingesteld, dan zal deze, vooruitlopend op de goedkeuring van de raad, worden ingesteld. De verantwoording over zo’n voorziening zal plaatsvinden bij een tussenrapportage of bij de jaarrekening.
Aan reserves en voorzieningen wordt geen rente toegevoegd.
Teneinde een gezonde financiële positie van de gemeente Zandvoort te bereiken c.q. in stand te houden is een reëel sluitende begroting een voorwaarde en een positief saldo meerjarenraming wenselijk. Onder een reëel sluitende begroting wordt verstaan een begroting die sluitend is zonder extra onttrekkingen aan de reserves naast de reguliere / beleidsmatige onttrekkingen. Onder een positief saldo meerjarenraming wordt verstaan de vier saldi van de jaarschijven in de meerjarenbegroting bij elkaar opgeteld met minimaal een positief saldo (groter dan 0).
In geval van een negatief meerjarenperspectief is het uitgangspunt dat bestaand beleid een sluitende begroting en een positief meerjarenperspectief dient op te leveren, eventueel middels (extra) bezuinigingen. Lasten voor nieuw beleid dienen gedekt te worden door het schrappen van structurele lasten van oud beleid (nieuw voor oud), dan wel het zoeken naar reële nieuwe structurele dekkingsmogelijkheden, tenzij de oorzaak hiervan zijn oorsprong in een later jaar dan het dienstjaar vindt. In het laatste geval is geen actie noodzakelijk om dekkingsmiddelen te zoeken.
Nieuwe voornemens met extra lasten dienen vergezeld te gaan van bijbehorende dekkingsmiddelen. Hierbij dient tevens aangegeven te worden wat de eventuele gevolgen voor de exploitatie zijn.
Voor elk nieuw beleidsvoornemen zal een risicoprofiel worden opgesteld en zullen de gevolgen voor de benodigde weerstandscapaciteit inzichtelijk gemaakt moeten worden.
De hoogte van de begrotingspost algemeen onvoorzien wordt bepaald op een bedrag van € 70.000.
Winstneming van grondexploitaties.
Winstneming zal pas genomen worden wanneer er grote zekerheid bestaat dat de winst gerealiseerd wordt. Winstneming van grondexploitaties mag indien de gerealiseerde verkopen de gemaakte kosten overtreffen en de behoedzaam geraamde nog te verkrijgen verkoopopbrengsten aanmerkelijk hoger zijn dan de behoedzaam geraamde nog te maken laatste kosten. Hierbij dienen de nog lopende risico’s binnen de exploitatie in acht te worden genomen. Bij winstneming zal de verwachte winst gestort worden in de Reserve stedenbouwkundige ontwikkelingen.
De saldi van alle exploitaties worden verrekend in de ‘Reserve stedenbouwkundige ontwikkelingen’. Het saldo van deze reserve dient als buffer voor negatieve resultaten van de in voorbereiding/uitvoering zijnde exploitaties. De gemeente bepaalt aan de hand van de (gecalculeerde) saldi en rekening houdende met de begrotingsvoorschriften (BBV) de hoogte van deze reserve en vult daartoe uit de algemene middelen het saldo aan, dan wel kan daaruit een bedrag onttrekken ten gunste van de algemene middelen.
In de Financiële verordening 212 / 2015 is het volgende kader voor deze nota:
Artikel 10 Reserves en voorzieningen
Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad behandeld en vastgesteld:
de vorming en besteding van reserves;
de vorming en besteding van voorzieningen; en
de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.
Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:
het specifieke doel van de reserve;
de voeding van de reserve;
de maximale hoogte van de reserve; en
de maximale looptijd indien van toepassing.
Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.
Met deze kaders is in deze nota rekening gehouden.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4
RESERVE- EN VOORZIENINGENBELEID GEMEENTE ZANDVOORT
Onderdeel van NOTA RESERVES EN VOORZIENINGEN 2015