Door de invoering van uniforme arbeidsverplichtingen (maar ook de boete) heeft het kabinet een strenge lijn ingezet wat betreft de hoogte van de maatregel wegens het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Hiermee wil het kabinet benadrukken dat er aan het recht op bijstand verplichtingen zijn verbonden die nagekomen moeten worden. Niet nakoming – zonder hiervoor een legitieme reden te hebben- leidt tot een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm. Het is aan het college om deze maatregel evenredig te verdelen over één en maximaal drie maanden.
Eerste lid:
Wanneer er niet aan de arbeidsverplichtingen of aan een aanvullende verplichting van artikel 55 Participatiewet wordt voldaan dan wordt een maatregel opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm over één maand, evenredig verdeeld over drie maanden. Dit betekent dat gedurende drie aaneengesloten maanden een maatregel van 33,33 procent per maand.
Wat wordt er bedoeld met de arbeidsverplichtingen?
Een limitatieve opsomming is niet mogelijk, behalve dan voor de uniforme arbeidsverplichting van artikel 18 vierde lid Participatiewet.
Op basis van de maatregelgeschiedenis wordt, anders dan de uniforme arbeidsverplichtingen, in ieder geval bedoeld:
Voor de uitvoering van de Participatiewet:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;
het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;
het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;
het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.
Voor de uitvoering van de IOAW/IOAZ:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening..
Wat wordt bedoeld met artikel 55 Participatiewet
DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:
verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en
verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
De verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen heeft een zeer individueel karakter. Het kan daarom zo zijn dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Denk eraan: de individuele verplichting geldt alleen in de Participatiewet, dus niet in de IOAW en IOAZ.
Wat wordt bedoeld met zeer ernstige misdraging?
Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Te denken valt aan schreeuwen, dreigen, intimideren e.a.
Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.
Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.
Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet, wordt deze gedraging allereerst afgehandeld conform het agressieprotocol. Voorts kan het strafrechtelijke circuit worden ingezet (lid 6). Wanneer de afhandeling van de ernstige misdraging op deze wijze niet het gewenste effect bereikt (aanpassing van gedrag, een fatsoenlijke bejegening) dan wordt er alsnog een maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm over één maand, overeenkomstig het eerste lid.
Lid 2: Recidive
Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee de arbeidsverplichting of artikel 55 Participatiewet wordt geschonden of er sprake is van een zeer ernstige misdraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent per maand.
Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 3, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging.
Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.
Derde lid: Recidive op recidive
Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een verplichting schendt, is de recidivebepaling van deze verordening van toepassing. Voor toepassing van de recidivebepaling bij recidive op recidive (derde lid) is vereist dat het opnieuw schenden van de verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is hiervan sprake dan wordt de periode van de maatregel bepaald op 100 procent van de bijstandsnorm per maand over een periode drie maanden. Eenvoudigweg wordt de uitkering drie maanden achtereen niet uitbetaald.
Vierde lid: Recidive op recidive op recidive
Is sprake van een vierde of volgende schending, dan geldt – evenals bij derde keer recidive – dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt bepaald op 100 procent van de bijstandsnorm per maand gedurende drie maanden, met dien verstande dat periode telkens weer met drie maanden wordt verlengd als de belanghebbende de verplichtingen weigert te blijven nakomen. Hiervoor is geen aparte besluitvorming noodzakelijk. Middels de wettelijke verplichte herbeoordeling zal bezien moeten worden of de belanghebbende de verplichtingen wil nakomen. Is hiervan sprake dan eindigt de maatregel. Is hiervan geen sprake dan loopt de maatregel door.
Vijfde lid:
Wanneer de belanghebbende zijn inschrijving bij het UWV laat verlopen dan is de arbeidsverplichting geschonden. Dit zou in de basis leiden tot een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, verrekend over drie maanden. Een maatregel moet echter in verhouding staan tot de gedraging. De hoogte van de maatregel is in eerste instantie daarom wel erg hoog. Daarom wordt bij een geconstateerde uitschrijving bij het UWV de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn (administratieve) inschrijving bij het UWV te herstellen. Wordt ook aan dit verzoek niet voldaan dan wordt de maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm over één maand alsnog uitgevoerd. Deze maatregel zal in de basis verrekend worden over drie maanden. Vanaf dat moment heeft de belanghebbende alsnog de mogelijkheid de inschrijving bij het UWV te herstellen. Hiermee wordt dan ondubbelzinnig aangetoond dat belanghebbende aan de verplichtingen wil voldoen en kan er naar aanleiding van een schriftelijk herzieningsverzoek alsnog besloten worden de maatregelen ongedaan te maken waarbij in ieder geval de eerste maand verrekend wordt (33,33 procent).
Zesde lid:
Wanneer de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt dan leidt dit in de basis tot een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, verrekend over drie maanden. De praktijk leert dat een aanschrijving overeenkomstig het agressieprotocol een groot corrigerend effect heeft en leidt tot aanpassing van het gedrag en tot een fatsoenlijke bejegening. Het college kiest er daarom voor om de belanghebbende allereerst via deze weg te bewegen zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen. Heeft dit niet het gewenste effect dan wordt de maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm over één maand alsnog uitgevoerd. Deze maatregel zal in de basis verrekend worden over drie maanden. Vanaf dat moment heeft de belanghebbende uiteraard alsnog de mogelijkheid zijn gedrag aantoonbaar en ondubbelzinnig aan te passen (herzieningsverzoek). Hiermee wordt dan ondubbelzinnig aangetoond dat belanghebbende aan de verplichtingen wil voldoen en kan er naar aanleiding van een schriftelijk herzieningsverzoek alsnog besloten worden de maatregelen ongedaan te maken waarbij in ieder geval de eerste maand verrekend wordt (33,33 procent).
Zevende lid:
Fysiek geweld wordt niet getolereerd. Een herzieningsverzoek naar aanleiding van fysiek geweld wordt altijd afgewezen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 6.
Schending verplichtingen
Onderdeel van Maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weststellingwerf 2015