Naar hoofdinhoud
Door opleiding en/of ervaring verkregen kennis en inzicht nodig om de werkzaamheden uit te voeren. Dit kenmerk meet twee aspecten. Ten eerste wordt de mate van diepgang of breedte van kennis gemeten die aangewend dient te worden voor een normale functievervulling. De scoreniveaus lopen op van praktische kennis via algemeen theoretische, praktisch gerichte kennis van het vakgebied naar fundamenteel wetenschappelijk-theoretische kennis van het vakgebied. Ten tweede wordt de mate van inzicht gemeten die nodig is om de werkzaamheden uit te voeren. Inzicht heeft betrekking op een samenhang van aspecten binnen het eigen vakgebied danwel met aspecten buiten het eigen vakgebied. Het gaat bij dit kenmerk niet om de vereiste opleiding maar om het werk- en denkniveau dat nodig is om de werkzaamheden uit te voeren. Praktisch gerichte kennis om gangbare procedures, hulpmiddelen, gereedschappen, instrumenten of apparaten te kunnen hanteren. Er wordt een 1 gescoord indien het gaat om werkzaamheden waarvoor kennis van het werken met apparatuur of het werken aan de hand van procedures benodigd is. Het inzicht beperkt zich tot (de aanpak van) de verrichtingen als zodanig. Het gaat om werkzaamheden waarvoor in het algemeen een VMBO werk- en denkniveau wordt vereist. Algemeen vaktechnische of administratief-technische kennis en voor zover relevant voor de uitoefening van de functie inzicht in daaraan verbonden organisatorische en functionele verhoudingen. Er wordt een 2 gescoord indien het gaat om werkzaamheden waarbij sprake is van de beheersing van een vak. Voor zover relevant voor de uitoefening van de functie is er inzicht nodig in welke aangelegenheden in de organisatie van belang zijn. Het gaat om werkzaamheden waarvoor in het algemeen een MBO werk- en denkniveau wordt vereist. Hieronder valt ook het VMBO+ werk- en denkniveau. Algemeen theoretische, praktisch gerichte kennis van het vakgebied, waarbij inzicht in organisatorische, sociale, financiële, technische, economische of juridische samenhangen in relatie tot het eigen werkterrein wordt vereist. Er wordt een 3 gescoord indien het gaat om algemeen theoretische kennis of tot op detailniveau benodigde praktijkkennis, maar nog niet tot op detailniveau benodigde gespecialiseerde theoretische kennis van het vakgebied: veelal betreft het kennis van methoden en technieken of van wet- en regelgeving binnen het vakgebied. Er is inzicht nodig in de samenhangen tussen het eigen werkterrein en de daarop van invloed zijnde werkprocessen. Het gaat om werkzaamheden waarvoor in het algemeen een HBO werk- en denkniveau vereist wordt. Hieronder valt ook het MBO+ werk- en denkniveau. Brede of gespecialiseerde theoretische kennis van het vakgebied, waarbij inzicht in sociale, financieel- economische, technische, juridische of politiek-bestuurlijke aangelegenheden in bredere context dan alleen het eigen werkterrein wordt vereist. Er wordt een 4 gescoord indien brede (generalistische) of gespecialiseerde (tot op detailniveau) theoretische kennis van het vakgebied nodig is om de werkzaamheden te kunnen uitoefenen. Er is inzicht nodig in inhoudelijke vraagstukken en problemen die zich op andere werkterreinen afspelen. Het gaat om werkzaamheden waarvoor in het algemeen een universitair werk- en denkniveau vereist wordt. Hieronder valt ook het HBO+ werk- en denkniveau, waarbij zware aanvullende kennis wordt vereist. Fundamenteel wetenschappelijk-theoretische kennis van het vakgebied en/of diepgaand inzicht in sociaal-, maatschappelijke, financieel-economische en politiek-bestuurlijke aangelegenheden. Er wordt een 5 gescoord bij directeursfuncties waarbij diepgaand inzicht in sociaal-maatschappelijke, financieel-economische en politiek-bestuurlijke aangelegenheden benodigd is. In het algemeen betreft dit managementteamfuncties in een grote en complexe organisatie.

Rechtspraak bij dit artikel