Het gemeenschappelijk orgaan heeft tot taak extern toezicht uit te oefenen op de stichting, zoals bedoeld wordt in artikel 48 van de Wet op het primair onderwijs, en zoals bedoeld wordt in de statuten van de stichting.
Ten behoeve van dit toezicht zijn aan het gemeenschappelijk orgaan de volgende bevoegdheden toegekend:
het (her)benoemen van de leden van de raad van toezicht van de stichting;
het schorsen of ontslaan van een lid van de raad van toezicht van de stichting;
het aanwijzen van een persoon die de taken van het college van bestuur waarneemt in het geval van ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur of van het enige (overgebleven) lid van het college van bestuur indien de raad van toezicht niet binnen zes weken tot een zodanige aanwijzing is overgegaan;
het aanwijzen van een persoon die de taken van de raad van toezicht waarneemt in het geval van ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht;
het nemen van de nodig geachte maatregelen om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen indien voor 1 februari van het jaar waarvoor een begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd;
het al dan niet goedkeuren van een wijziging van de statuten van de stichting;
het goedkeuren van ontbinden van de stichting;
het hernieuwd in stand houden van de scho(o)l(en) waarvan de instandhouding aan de stichting was overgedragen of het overdragen daarvan aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is;
het zich vanuit de wettelijke taak en verantwoordelijkheden voor het openbaar onderwijs van de gemeenteraad wenden tot het college van bestuur van de stichting.
het in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of het functioneren van het college van bestuur in strijd met de Wet op het primair onderwijs, nemen van maatregelen om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen en het zelf voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig het ontbinden van de stichting;
het de raad van toezicht in de gelegenheid stellen, om alvorens wordt overgegaan tot maatregelen als bedoeld in de vorige sub, in overleg te treden en de mogelijkheden te verkennen en uit te voeren die noodzakelijk zijn om de gerezen bezwaren tegen het door het college van bestuur gevoerde beleid of het functioneren van het college van bestuur op andere wijze weg te nemen.