Het gemeenschappelijk orgaan bestaat uit de leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, met uitzondering van de voorzitter, worden aangewezen. Elke gemeenteraad benoemt één lid.
De leden van het gemeenschappelijk orgaan wijzen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.
De leden van het gemeenschappelijk orgaan worden benoemd voor een zittingsperiode van de gemeenteraden.
Zij treden af met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt, dan wel met ingang van de dag dat zij geen raadslid meer zijn van een deelnemende gemeente
De gemeenteraden benoemen zo spoedig mogelijk na aanvang van de nieuwe zittingsperiode opnieuw de leden van het gemeenschappelijk orgaan. Aftredende leden kunnen opnieuw worden benoemd.
Aan een lid van het gemeenschappelijk orgaan kan door de gemeenteraad die hem heeft aangewezen ontslag worden verleend indien deze het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit.
Artikel 4
Samenstelling gemeenschappelijk orgaan
Onderdeel van Regeling Toezicht op het Primair Openbaar Onderwijs