Het college kan één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op deze specifieke voorziening, behoudens het gestelde in de wet.
Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.
HOOFDSTUK 3 Voorzieningen en projecten
Artikel 7 Participatieplaatsen
Het college kan aan personen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, een participatieplaats aanbieden.
Het doel van een participatieplaats is re-integratie. De betrokkene moet werkervaring
opdoen of tijd nodig hebben om te wennen aan werkgerelateerde aspecten.
3.Het college plaatst een persoon alleen als er sprake is van een additionele functie: een
speciaal gecreëerde functie of een al bestaande functie die alleen met speciale
begeleiding verricht kan worden.
Artikel 8 Werkstage
Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroepen van de wet een werkstage aanbieden.
Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het testen of uitproberen van een bepaalde werkomgeving of persoon. De betrokkene kan de werkomgeving testen; ook kan een werkgever de geschiktheid van betrokkene voor de aangeboden werkplek testen.
Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 9 Detacheringsbaan
Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroepen van de wet of van de Wet sociale werkvoorziening naar een detacheringsbaan.
De persoon wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie (detacheringsbedrijf) als tussen de werknemer en inlenende organisatie.
Een persoon bedoeld in het eerste en tweede lid (werknemer) wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 10 Werkgeverssubsidie
Het college kan een werkgeverssubsidie aan een werkgever of een detacheringsbedrijf verstrekken gericht op arbeidsinschakeling.
De verstrekking van werkgeverssubsidie is een generieke regeling.
Het college verstrekt de werkgeverssubsidie alleen indien door de plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 11 No-riskpolis
Het college kan de kosten van een no-riskpolis vergoeden of een verzekering hiervoor afsluiten.
Het college legt in beleidsregels de doelgroep, duur en dekking van de no-risk polis vast
Artikel 12 Scholing
Het college kan een voorziening in de vorm van scholing of een opleiding vergoeden gericht op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.
Voor personen, bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a, sub 4 en 7 van de wet, geldt de aanvullende voorwaarde dat de belanghebbende zich beschikbaar dient te stellen voor de arbeidsmarkt voor tenminste 12 uur per week.
Scholing is vooral gericht op het behalen van een startkwalificatie of het behouden van arbeidscompetenties.
Het college kan scholing of een opleiding aanbieden hoger dan het niveau van een startkwalificatie of ter behoud van arbeidscompetenties, mits het college van oordeel is dat deze opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.
Het college biedt personen die gebruik maken van een participatieplaats zoals
bedoeld in artikel 7 van deze verordening en die geen startkwalificatie hebben, 6
maanden na aanvang van de participatieplaats een voorziening aan gericht op arbeidsinschakeling in de vorm van scholing of een opleiding.
Artikel 13 Ondersteuning bij leerwerktraject
Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het personen betreft:
a.van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de
Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of
b.van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 14 Projecten
Het college wijst voor de uitvoering van en de exploitatie van een voorlichtings- en opleidingscentrum (VOC) voor de glastuinbouw Dethon aan als opdrachtnemer.
Het college heeft voor haar re-integratietaken de beschikking over een Sociaal Activeringscentrum waarvoor PIBLW re-integratie BV is aangewezen als opdrachtnemer.
Bij trajecten of projecten gericht op de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt kan het college nadere besluiten nemen over eventuele investeringen.
Het college legt in beleidsregels de omvang en de hoogte van de bijdrage voor genoemde projecten vast.
Artikel 15 Participatievoorziening beschut werk
Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.
Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.
Artikel 16 Premie
Het college kan aan personen een premie verstrekken.
Het college verstrekt aan personen die gebruik maken van een participatieplaats zoals
genoemd in artikel 8 van deze verordening eens in de zes maanden een premie van maximaal 250
euro indien de werkzaamheden van betrokkene naar het oordeel van het college de
arbeidsparticipatie bevorderen.
Artikel 17 Overige voorzieningen
Het college kan de hieronder genoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden:
(vormen van) Work First;
Werkervaringsplaatsen;
Proefplaatsingen;
plaatsingskosten/plaatsingsfee;
(intensieve) begeleiding/ondersteuning;
diagnostische instrumenten;
trainingen, cursussen;
integrale trajecten;
duale trajecten;
jobhunting, bemiddeling en nazorg;
Jobcoaching.
Artikel 18 Overige vergoedingen
Het college kan aan personen een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling, vrijwilligerswerk, het doen van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten of maatschappelijke participatie. Het kan hierbij gaan om de onderstaande kosten:
verhuiskosten in verband met aanvaarden van reguliere arbeid;
reiskosten;
onkostenvergoeding;
stagevergoeding;
kosten voor kinderopvang;
kosten van leermiddelen;
werknemersvoorzieningen;
overige kosten.
HOOFDSTUK 4 Slotbepalingen
Artikel 19 Voorliggende voorzieningen
Het college verstrekt geen vergoeding voor kosten waarvoor, al dan niet door de gemeente, reeds een andere vergoeding wordt verstrekt.
Artikel 20 Beleid
Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels vaststellen.
Artikel 21 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.
In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 22 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening Participatiewet”
Artikel 23 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt op 1 januari 2015 in werking, onder gelijktijdige intrekking van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012.
Sluis, 20 november 2014
De griffier, De voorzitter,
mr.P.T.G.Claeijs mr. A.M.M. Jetten MSc
ALGEMENE TOELICHTING
Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening:
scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);
de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);
participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet), en
no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet).
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1. Begripsomschrijving
Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Participatiewet.
Artikel 2. Opdracht college
De Participatiewet geeft in artikel 7 het college de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat mogelijk het liefst zou zien. Het is aan het college om zorg te dragen voor voldoende aanbod van voorzieningen en spreiding over alle gemeentelijke doelgroepen, waarbij zij te maken kan hebben met beperkte financiële middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische factoren. Het college kan een aanspraak op een voorziening niet weigeren. Als het budget niet toereikend is moet het college zorgdragen voor een alternatief.
Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening rekening met de combinatie arbeid en zorg, met de mogelijkheden en beperkingen van een cliënt maar ook met het uitgangspunt “de kortste weg naar duurzame arbeid”. Gesubsidieerde arbeid wordt op grond van de wet gezien als vorm van algemeen geaccepteerde arbeid, met dien verstande dat gesubsidieerde arbeid in principe geen einddoel is.
Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken.
Alleen als arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort, kan zelfstandige maatschappelijke participatie een doel van de inzet van voorzieningen zijn.
De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het college. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de belanghebbende. De inhoud van het traject wordt besproken met de belanghebbende, vervolgens wordt door beide partijen een trajectplan ondertekend.
Ook vergoeding van noodzakelijke reiskosten en kosten van kinderopvang worden aangemerkt als voorziening. Bij personen die nog op een oude WIW of ID baan werken is er sprake van een arbeidsovereenkomst met een werkgever en ligt de verantwoordelijkheid voor het al dan niet vergoeden van deze kosten bij de werkgever. Dit is voortzetting van bestaand beleid.
Artikel 3. Doel van de ondersteuning
Het uiteindelijke doel van de ondersteuning zoals in allerlei vormen is vastgelegd in deze verordening, is uitstroom (uit de uitkering) naar algemeen geaccepteerde arbeid. Hierbij wordt gestreefd naar duurzame arbeid. Als dit doel niet bereikbaar is, wordt gestreefd naar zelfstandige maatschappelijke participatie. Bij dit laatste valt te denken aan vrijwilligerswerk, mantelzorg en deelname aan activiteiten in wijk of buurt.
In het derde lid is aangegeven dat het college ook onbeloonde nuttige werkzaamheden kan aanbieden. Het is de bedoeling dat deze werkzaamheden de afstand tot de arbeidsmarkt van betrokkenen verbeteren.
In het vierde lid is, overeenkomstig artikel 7 zevende lid van de Participatiewet, geregeld dat het college ook personen met een uitkering van het UWV woonachtig in de gemeente Sluis kan ondersteunen bij de arbeidsinschakeling. De instrumenten en de voorwaarden worden in een overeenkomst met het UWV nader uitgewerkt. Achterliggende gedachte is dat ook deze inwoners van de gemeente op deze manier kunnen worden ondersteund bij het vinden van betaalde arbeid.
Het vijfde lid geeft aan dat als er een trajectplan of een deel van een trajectplan op een andere wijze dan uit het budget voor re-integratieactiviteiten van de gemeente gefinancierd kan worden, er geen voorziening als gevolg van deze verordening zal worden verstrekt.
Artikel 4. Verplichtingen
In de wet zijn de verplichtingen die verbonden zijn aan het recht op een uitkering uitgebreid aangegeven. Het eerste en tweede lid sluiten aan bij de verplichtingen in de wet genoemd. Het derde lid legt een verbinding tussen de verplichtingen die worden verbonden aan de re-integratie van klanten en de maatregelen opgenomen in de Afstemmingsverordening Partocipatiewet, IOAW en IOAZ. In de Afstemmingsverordening staat het percentage vermeldt waarmee een uitkering kan worden verlaagd.
Artikel 5. Sluitende aanpak
De Participatiewet kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende aanpak ontstaat. Desondanks is de gemeente van oordeel dat een sluitende aanpak geregeld dient te worden. In het beleid is vastgelegd dat voor iedereen een trajectplan of plan van aanpak dient te worden opgesteld. Alle beschikbare middelen zoals genoemd in de verordening kunnen ingezet worden. De prioriteit ligt bij het aanbieden van voorzieningen gericht op uitstroom voor de kansrijken. Voor uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie geldt dat de prioriteit ligt bij het behalen van een startkwalificatie.
De mogelijkheid bestaat om van de algemene sluitende aanpak in specifieke, individuele gevallen af te wijken. Dit kan met name aan de orde komen voor diegenen die een ontheffing van de arbeidsverplichting hebben gekregen.
HOOFDSTUK 1
Artikel 6
Budget en subsidieplafonds
Onderdeel van Re-Integratieverordening Participatiewet Sluis 2015