Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Voorschriften

Onderdeel van Beleid stoken van vuur (waaronder paasvuren)

Op basis van de aspecten veiligheid, openbare orde, overlast, milieu, flora en fauna worden onderstaande voorschriften aan de ontheffingen toegekend. De voorschriften kunnen wel naar inzichten en behoefte (tussentijds) worden aangepast, nieuw beleid is hiervoor dan ook niet nodig. Aan de ontheffingen voor paasvuren worden de volgende voorschriften verbonden. Het aanleggen, stoken of het hebben van vuur moet onder voortdurend toezicht staan van twee meerderjarige personen. Er moet op worden toegezien dat het eventueel vrijkomend vliegvuur geen brandbare materialen kan doen ontbranden. Er dient een minimale afstand van 100 meter tot woningen en gebouwen te worden aangehouden. Bij het verlaten van een stookplaats moet het vuur zijn geblust, zodat geen gevaar bestaat voor doorsmeulen of wederom opvlammen van brandbare stoffen. De maximale windkracht mag niet meer bedragen dan 5 Beaufort. De bij de verbranding vrijkomende rook mag niet over een voor het openbaar verkeer openstaande weg drijven indien daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. De aanwijzingen gegeven door de gemeente, plaatselijke politie en de brandweer dienen strikt te worden nageleefd. Het te verbranden materiaal mag alleen uit onbewerkt schoon hout/snoeihout bestaan, maximaal200 m3. Het gebruik van olie, benzine of andere vloeistoffen of voorwerpen welke de verbranding bevorderen of kunnen bevorderen, is verboden. Bij mist is verbranding niet toegestaan. Na het doven van het vuur moeten eventuele verbrandingsresten op de stookplaats grondig worden verwijderd, zodanig dat er geen milieuschade aan bodem en water kan ontstaan. De ontheffing sluit de aansprakelijkheid en verplichtingen krachtens andere wettelijke regelingen, waaronder de Wet bodembescherming, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet inzake luchtverontreiniging, niet uit. De opstelling van het vuur moet zodanig zijn dat blus- en hulpverleningsvoertuigen van de brandweer altijd tot op 40 meter kunnen naderen. Het verbranden is niet toegestaan bij groot of zeer groot gevaar voor natuurbrand bij droogte (wordt afgekondigd door de brandweer). Het publiek bij het vuur dient op veilige afstand te worden gehouden. Er dienen voldoende blusmiddelen aanwezig te zijn om rondom het vuur beginnende brandjes van vliegvuur te kunnen blussen. Voor verbranding van rietsluik worden bovengenoemde voorschriften verbonden, behalve voorschrift 8, 11 en 13. Voor de rest categorie worden naar inzicht voorschriften toegekend, waarin bovengenoemde voorwaarden een leidraad kan zijn.

Rechtspraak bij dit artikel