Lid 1
De medewerker heeft voor het maken van een dienstreis voorafgaande toestemming nodig van zijn leidinggevende.
Lid 2
De dienstreizen dienen in principe met openbare vervoermiddelen te worden gemaakt.
Lid 3
Indien de dienstreis niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden gemaakt, kan gebruik worden gemaakt van een eigen motorvoertuig.
Lid 4
Reiskosten voor woon-/werkverkeer worden niet aangemerkt als dienstreizen. Een verplaatsing voor het verrichten van werkzaamheden op zaterdag, zondag, een erkende feestdag of buiten de reguliere werktijden wordt aangemerkt als een dienstreis.
Lid 5
Verkeersovertredingen worden niet aangemerkt als reiskosten.