In deze verordening wordt verstaan onder:

houtopstand: één of meer bomen, een houtwal, een houtsingel of een grotere (Iint)begroeiing van struiken;

boom: een houtachtig gewas met een (of meer), zich eerst op zekere

hoogte boven de grond vertakkende stam(men);

struik: iedere houtachtige plant die zich van de grond af vertakt;

houtwal: lintvormige, op een door de mens opgeworpen aarden wal

aanwezige, aaneengesloten (gemengde) beplanting van bomen

of boomvormers en struiken;

boomwal: een houtwal waarin zich op geregelde afstand bomen bevinden

met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter

op 1,3 meter boven het maaiveld en met een spaarzall1e

onderbegroeiing van struiken en kruiden;

houtsingel: lintvormige, veelal langs een sloot gelegen, beplantingsstrook

van bomen of boomvormers (doorgaans elzen) al dan niet in

combinatie met struiken (hoofdzakelijk meidoorn);

knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoei plaats verwijderen van

uitgelopen takhout van bij knotbomen, gekandelaberde bomen

of leibomen als periodiek onderhoud noodzakelijk.

groot onderhoud: het periodiek vellen bij wijze van beheersmaatregel van daarvoor geschikte houtsoorten.

bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge

artikel 1, vijfde lid van de Boswet.

boomwaarde: waarde van een boom, uitgedrukt als getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren:

de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede op 1,3

meter boven het maaiveld;

de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2;

de standplaatswaarde;

de conditiewaarde;

de waarde van de plantwijze.

Onder vellen wordt mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tot gevolg kunnen hebben.