Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
verordening van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en
wethouders is geveld, danwel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen
burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
de houtopstand zich bevond danwel aan degene die uit andere hoofde tot het
treffen van de voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
door hen te stellen termijn.
Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op
welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd,
kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond
waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit andere hoofde
tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te
stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
weggenomen.
Indien voldoende termen aanwezig zijn om overeenkomstig het bepaalde in het
eerste lid een herplantverplichting op te leggen doch uitvoering hiervan
niet of in onvoldoende mate tegemoet komt aan de belangen die deze
verordening ingevolge artikel 7 eerste lid beoogt te beschermen, dan kunnen
burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de
grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die uit anderen
hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
opleggen een overeenkomstig het vijfde lid te bepalen vergoeding te betalen,
welke dient te worden gestort in het gemeentelijke
bomenfonds, bedoeld in artikel 18, eerste lid.
Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de in het vorige lid
bedoelde vergoeding vast op basis van de boomwaarde van de in het eerste lid
bedoelde houtopstand, verminderd met de kosten van uitvoering van een
eventueel opgelegde herplantverplichting.