Op grond van de laatste volzin van artikel 35, lid 1 Participatiewet bepaalt het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 40 Abw, waarin voorheen de bepalingen inzake de draagkracht(periode) waren neergelegd, komt naar voren dat in beginsel de draagkracht over een periode van een jaar in aanmerking wordt genomen, dat wil zeggen: de periode van 12 maanden volgend op de aanvraag voor de verlening van bijzondere bijstand en dat de draagkracht voor maandelijks terugkerende kosten, zoals woonkosten, over een kortere periode dan een jaar kan worden berekend.
Gedurende de draagkrachtperiode wordt de vastgestelde draagkracht in mindering gebracht op de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten.
De periode waarover de draagkracht geldt, de draagkrachtperiode, begint op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstandsaanvraag wordt ingediend en wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden. Na deze periode dient de draagkracht opnieuw te worden vastgesteld.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3.
Draagkrachtperiode
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 Stede Broec