Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving) zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening en in de jurisprudentie over dit onderwerp een rol spelen.
Wij onderscheiden de volgende woonvoorzieningen:
losse woonvoorzieningen, dat wil zeggen voorzieningen die niet nagelvast zijn, en dus verplaatsbaar (bijvoorbeeld een toiletstoel);
bouwkundige woonvoorziening, dat wil zeggen nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur, een traplift of een ophoging van de tegels bij de voordeur);
verhuiskostenvergoeding.
Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (een douchestoel is bijvoorbeeld ook te gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing.
Losse voorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Zo is een losse tillift bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift.
Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt, waarbij bruikleen als hoofdregel geldt. Relatief goedkope hulpmiddelen - waarvan de kosten van transport en reiniging voor her-verstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel - zullen in eigendom worden verstrekt.
4.4.1 Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen
Een aantal woonvoorzieningen zijn algemeen gebruikelijk en vallen daarom onder de eigen verantwoordelijkheid van de burgers. Het zijn voorzieningen die ook gebruikt worden door mensen zonder beperking en breed verkrijgbaar zijn, onder andere in bouwmarkten. Wat algemeen gebruikelijk is en tot iemands eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend, moet ook gerelateerd worden aan de beperking, de leeftijd, de woonwens en de woonsituatie van iemand. Verwacht mag worden dat mensen tijdig maatregelen treffen om de woning te kunnen blijven gebruiken, ook al worden ze ouder of neemt de beperking toe, bijvoorbeeld door adequate vervanging van het sanitair of, bij het leggen van nieuwe vloeren, door het verwijderen van drempels.
Wat algemeen gebruikelijk is, is aan maatschappelijke ontwikkelingen onderhevig en kan in de loop der jaren veranderen. In ieder geval wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd:
kranen, behalve indien ze met een elleboog bediend moeten worden;
eenvoudige wandgrepen en beugels (tot 60 cm);
verhoogd toilet (alle maten);
douchezitje (tenzij er sprake is van een bouwkundige voorziening);
douche;
spiegel in de natte cel, inclusief kantelgarnituur;
centrale verwarming en thermostatische radiatorkranen;
meterkast met meerdere groepen;
elektrische aansluiting in berging ten behoeve van opladen scootmobiel of elektrische rolstoel;
keramische- of inductiekookplaat;
deugdelijke zonwering;
wasdroger;
normale babyfoon/intercom;
airco;
kleine drempeloplopen tot 3 cm;
tweede trapleuning;
sokkel om de wasmachine of koelkast op te plaatsen;
kosten voor het demonteren van een fonteintje of het verleggen van verwarming in verband met het plaatsen van de steunpunten.
Tijdens het onderzoek zal, in volgorde, het volgende worden afgewogen:
geen ondersteuning als de aanpassing voorzienbaar was en het tot iemands eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend hierin te voorzien, bijvoorbeeld een ouder iemand vernieuwt de badkamer en zorgt dan niet voor een adequate douche;
geen ondersteuning als de voorziening ouder is dan 20 jaar. Op dat moment is een vervanging algemeen gebruikelijk. Alleen eventuele kosten die specifiek betrekking hebben op de beperking komen dan voor ondersteuning in aanmerking;
als een voorziening tussen de 15 en 20 jaar oud is, komt 50% van de noodzakelijke aanpassingskosten voor vergoeding in aanmerking;
als de voorziening tussen de 10 en 15 jaar oud is, komt 75% van de noodzakelijke aanpassingskosten voor vergoeding in aanmerking;
als de voorziening jonger is dan 10 jaar komen alle noodzakelijke aanpassingskosten voor vergoeding in aanmerking.
Bovenstaande termijnen gelden voor zowel woningen in eigendom als huurwoningen. Mocht een verhuurder bij een oudere voorziening niet een deel van de kosten op zich willen nemen, op basis van binnen de woningbouwverenigingen bestaand beleid op dit punt, dan wordt met de verhuurder in overleg getreden en wordt geprobeerd tot een maatwerkoplossing te komen.
Geen ondersteuning wordt verleend als het te bereiken resultaat ook bereikt kan worden door de hulp van huisgenoten. Van huisgenoten mag verwacht worden dat ze bijvoorbeeld de was in en uit de machine die op zolder staat halen.
4.4.2 Normaal gebruik van de woning
Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dit geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden.
4.4.3 Bezoekbaar
Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.
4.4.4 Primaat van verhuizing
Het college beoordeelt of het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing naar een aangepaste of beter aan te passen woning. Een verhuizing is pas aan de orde als de, ook voorzienbare, aanpassingskosten meer bedragen dan het vastgestelde verhuisprimaatbedrag (zie Besluit maatschappelijke ondersteuning).
Indien overwogen wordt om het primaat van verhuizing toe te passen zullen een aantal factoren die bij de besluitvorming een rol kunnen spelen, moeten worden afgewogen, zoals:
welke voorzieningen zijn nu nodig en welke voorzieningen zijn er in de toekomst – voorzienbaar - nodig? Als verwacht wordt dat voorzienbare aanpassingen boven het verhuisprimaatbedrag uitkomen moet toepassing van het primaat worden overwogen;
op welke termijn kan het probleem worden opgelost? Afgewogen moet worden of een verhuizing snel het juiste resultaat biedt voor de zelfredzaamheid van de cliënt. Beoordeeld moet worden binnen welke termijn - ook uit medisch oogpunt bezien - een oplossing voor het probleem dient te zijn gerealiseerd;
sociale factoren. Van belang is daarbij onder andere de binding van de cliënt met de omgeving, de aanwezigheid van mantelzorg en directe familie en de aanwezigheid van belangrijke voorzieningen in de omgeving. Deze factoren moeten zoveel mogelijk worden geobjectiveerd;
woonlasten en financiële draagkracht. Er moet een vergelijk worden gemaakt tussen de woonlasten in de oude en eventueel nieuwe woning. Alle woonlasten moeten daarin worden meegenomen. Het feit dat iemand van een koopwoning naar een huurwoning moet verhuizen, mag geen belemmering zijn. Inkomsten uit de opbrengst van de koopwoning kunnen immers ook weer worden ingezet voor woonlasten. Verder kan een rol spelen dat iemand emotioneel erg gehecht is aan de woning en al zelf veel aanpassingen heeft gedaan. Gelet op de malaise op de woningmarkt zijn woningen vaak moeilijker te verkopen. Ook dient te worden beoordeeld of een redelijke prijs voor de woning wordt gevraagd en of er als gevolg van een restschuld geen financiële problemen ontstaan.
vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Bekeken moet worden wat de kosten voor een aanpassing zijn en wat de kosten zijn voor een verhuizing.
mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Daarbij speelt de leeftijd van de bewoner een rol maar ook de vraag of, bij het verlaten van de woning, deze weer beschikbaar kan worden gesteld aan een persoon met beperkingen.
Als het primaat van verhuizing wordt toegepast zal een betrokkene niet snel een passende woning mogen weigeren.
4.4.5 Mantelzorgwoning
Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning.
Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de cliënt had voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen, enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening.
4.4.6 Voorzienbaarheid
Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in artikel 8 van de verordening blijkt dat de cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de voorziening niet voorzienbaar was of van de cliënt niet kon worden verwacht dat hij maatregelen zou hebben getroffen die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar de woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten dat men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen.
4.4.7 Uitvoering en typen woonvoorzieningen
Ten aanzien van de uitvoering van woonvoorzieningen kan het volgende worden vastgesteld.
Bouwkundige of woontechnische voorziening
Bij woningaanpassingen wordt een onderscheid gemaakt tussen aanpassingen die leiden tot een vergroting van de woning en overige woningaanpassingen. Daarbij geldt het volgende:
een aanpassing kan pas worden uitgevoerd nadat de aanvrager een beschikking heeft ontvangen. Indien een voorziening - nadat de werkzaamheden zijn aangevangen of voltooid - wordt aangevraagd kan dat tot de conclusie leiden dat de aanvrager zijn eigen verantwoordelijkheid heeft genomen en zelf zijn probleem heeft kunnen oplossen zodat ondersteuning niet nodig is;
de goedkoopst adequate voorziening wordt toegekend. Om tot een bepaling van de goedkoopst adequate voorziening te komen kan een bouwkundig advies worden aangevraagd;
de aanpassingen mogen geen betrekking hebben op een hoger niveau dan het niveau van voorzieningen in de sociale woningbouw, dat wil zeggen bij grotere of luxere woningen worden geen extra voorzieningen (bijvoorbeeld extra automatische deuropeners) aangebracht;
indien sprake is van een aanpassing waarvan de kosten niet vooraf duidelijk zijn kan om een offerte worden gevraagd vóórdat op de aanvraag wordt beschikt. Als de aanpassingskosten meer dan € 20.000,00 zullen bedragen, dienen twee offertes te worden overgelegd;
de voorziening wordt verstrekt aan de cliënt. In de Wmo 2015 is vastgelegd dat de eigenaar van een woning een noodzakelijke aanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht moet accepteren. Bij het verlaten van de woning is de huurder ook niet gehouden de woning in de oorspronkelijke staat terug te brengen;
de uitvoering van de aanpassingen moet worden ingezet binnen zes maanden nadat de voorziening is toegekend. Voltooiing van de werkzaamheden moet worden gemeld waarna - eventueel na controle - het pgb wordt uitbetaald.
Kosten woningaanpassing
Een pgb voor een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt namens het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt verstuurd naar de aanvrager/cliënt met een afschrift aan de eigenaar.
In het pgb kan worden opgenomen:
de aanneemsom;
risicoverzekering van loon-en materiaalkosten;
architectenhonorarium tot een maximum van 10% van de aanneemsom;
toezichtskosten tot een maximum van 2% van de aanneemsom (inclusief btw);
legeskosten;
verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;
renteverlies i.v.m. betalingen aan derden voordat de tegemoetkoming is uitbetaald;
prijs van bouwrijpe grond als niet binnen de oorspronkelijke kavel kan worden gebouwd;
goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming niet waren voorzien;
kosten voor noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen;
kosten voor de heraansluiting op openbare nutsvoorzieningen;
administratiekosten die de verhuurder maakt voor zover de aanpassingskosten meer dan € 1000,00 bedragen, 10% van die kosten met een maximum van € 350,00.
Waardevermeerdering woning
Indien sprake is van een vergroting van de woning die leidt tot een waardevermeerdering van de woning dan dient dat deel van de aanpassing door de eigenaar zelf te worden bekostigd. Regels omtrent de vaststelling van de meerwaarde worden in het Besluit maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. Indien aantoonbaar is dat de eigenaar geen voorziening voor het betalen van de kosten kan treffen zal de gemeente een geldlening zonder renteverplichting, onder hypothecair verband, verstrekken.
Losse woonunit
Het kan voorkomen dat het plaatsen van een losse woonunit de goedkoopst adequate oplossing is. Dit zal worden onderzocht. De gemeente zal dan de kosten moeten dragen van verwijdering en herstel indien de unit niet langer nodig is.
Doelgroepengebouw
Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college zijn of worden gemaakt met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.
Bij aanpassingen aan doelgroepengebouwen (bijvoorbeeld appartementen bedoeld voor senioren) zal, indien een voorziening wordt gevraagd voor de openbare ruimten (bijvoorbeeld toegang gebouw of toegang berging) eerst overleg worden gevoerd met de eigenaar van het gebouw of met de Vereniging van Eigenaren (VVE) om te bekijken wat hun mogelijkheden zijn om aanpassingen te verrichten.
Losse (roerende) woonvoorzieningen
Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan zaken zoals tilliften, douche-toiletstoelen en douchestretchers. Losse woonvoorzieningen worden in bruikleen of in eigendom verstrekt. Het verstrekken van een persoonsgebonden budget is ook mogelijk.
Bij het verstrekken van losse woonvoorzieningen wordt rekening gehouden met de belangen van mantelzorgers omdat zij de voorziening moeten kunnen bedienen.
Ook de traplift wordt aangemerkt als een losse woonvoorziening. De traplift wordt door de gemeente aangekocht en in bruikleen verstrekt. Na beëindiging van het gebruik wordt de traplift door de trapliftfabrikant ingenomen en klaargemaakt voor hergebruik.
Dubbele woonlasten, tijdelijke huisvesting of huurderving
Het kan zijn dat een woning aangepast moet worden voordat betrokkene er in kan wonen of dat betrokkene de woning tijdelijk moet verlaten in verband met de aanpassing. In die gevallen is een maatwerkvoorziening mogelijk ten behoeve van de reële extra woonkosten. Indien een aangepaste woning - op verzoek van de gemeente - door een verhuurder wordt vrijgehouden kan aan de verhuurder, voor maximaal 6 maanden, de gederfde huur worden vergoed.
Onderhoud, keuring en reparatie
Voor onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte woonvoorzieningen kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt zolang de voorziening noodzakelijk is.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 4.4
Woonvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2016