Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4:

Artikel 4.5

Vervoersvoorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2016

De Wmo heeft tot doel om cliënten te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer zal worden onderzocht of en welke beperkingen cliënt heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre de cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (cliënt heeft bijvoorbeeld een auto of een brommer), hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (cliënt kan bijvoorbeeld meerijden met de buurvrouw naar de kaartclub of een familielid kan naar cliënt toekomen in plaats van daar naar toe te reizen), gebruik kan maken van een algemene voorziening (Openbaar Vervoer) of dat een individuele voorziening noodzakelijk is. Uit jurisprudentie blijkt dat de cliënt - om te kunnen participeren - de mogelijkheid moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot ongeveer 20 km afstand vanaf de woning van cliënt) 1500 tot 2000 kilometer moet kunnen reizen. Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen. Om Valys aan te vragen moet cliënt kunnen aantonen dat hij een indicatie heeft voor lokaal collectief vervoer. Er moet worden afgewogen of de vervoersvoorziening die het vervoersprobleem zou kunnen oplossen algemeen gebruikelijk is of dat van een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening gebruik gemaakt zou kunnen worden. Een elektrische fiets (met trapondersteuning), een tweewielscooter en ligfiets zijn voorzieningen die ook door personen zonder beperking worden gebruikt en in de detailhandel te koop zijn. Ook speciale wensen aan auto’s kunnen als algemeen gebruikelijk worden beschouwd, bijvoorbeeld een automaat of airco. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt ook af van de persoon van de aanvrager. Voor iemand die al jarenlang een minimuminkomen ontvangt of voor een kind is een elektrische fiets bijvoorbeeld niet zonder meer algemeen gebruikelijk. Als duidelijk is dat een algemene of algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening niet voorhanden is, moet aan de hand van de vervoersbehoefte worden beoordeeld of deze behoefte kan worden ingevuld met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV). Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Deelname aan het CVV wordt afgewogen vóórdat wordt beoordeeld of een maatwerkvoorziening aan de orde is. Als CVV wel mogelijk is, maar toch een maatwerkvoorziening wordt gevraagd, is dat alleen mogelijk in situaties waarin een maatwerkvoorziening een goedkopere oplossing is, bijvoorbeeld door middel van een geringe aanpassing aan de eigen auto (het bedrag daarvoor is opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning). Indien CVV wordt toegekend, gelden de volgende uitgangspunten: vervoer omvat 5 zones vanuit de woonplaats; een bestemming in België kan maximaal 21 kilometer van het huisadres liggen (5 zones van gemiddeld 4,2 km); ziekenhuizen en station(s) zijn, ook als het dichtstbijzijnde buiten de 5 zones valt, bereikbaar; kosten bedragen het equivalent van het vervoer met het openbaar vervoer per zone (afgerond op 5 cent), waarbij ook een opstapzone moet worden betaald; iedere rechthebbende kan zich laten begeleiden door een niet gerechtigd persoon tegen hetzelfde tarief; indien medische begeleiding geïndiceerd is, reist de medisch begeleider gratis mee; per jaar mogen 700 strippen (zones) gebruikt worden; ritten kunnen worden aangevraagd via een gratis telefoonnummer; ritten worden uitgevoerd met een marge van 15 minuten vóór en ná de afgesproken tijd; rolstoelen en scootmobiels kunnen mee worden vervoerd; de taxichauffeur begeleidt de rechthebbende van deur tot deur. Als het bovenstaande niet leidt tot het gewenste resultaat, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Daarbij dienen de volgende soorten vervoer te worden onderscheiden: vervoer op korte afstand in de woonomgeving waarvoor de fiets wordt gebruikt of die lopend wordt afgelegd. In deze situatie zal het CVV geen afdoende oplossing bieden; vervoer op wat langere afstand, het regionaal vervoer, waarvoor het openbaar vervoer, de auto of een elektrisch aangedreven verplaatsingsmiddel wordt gebruikt. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt dat men voor het vervoer een bijdrage dient te betalen. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor, zal er geen noodzaak zijn tot ondersteuning, omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Daarbij valt te denken aan iemand die altijd auto heeft gereden en beperkt wordt in het fietsen. Verplaatsingen die normaal met de fiets worden gedaan, kunnen ook met de auto. Vervoersvoorzieningen in natura Een voorziening in natura of een pgb voor de aanschaf van een vervoersmiddel kan worden toegekend als betrokkene zich niet lopend of fietsend in zijn directe woonomgeving kan verplaatsen en er wel een behoefte is om zich regelmatig te verplaatsen. Daarbij dient onder directe woonomgeving het dorp te worden gerekend waarin betrokkene woont. Voor dergelijke verplaatsingen kan gedacht worden aan een scootmobiel of een fiets in bijzondere uitvoering (bijvoorbeeld een driewielfiets of duo-fiets). Bij het verstrekken van voorzieningen die zijn af te leiden van de auto, beoordeelt het college of sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Bij gezinnen met meerdere thuiswonende kinderen onder de 14 jaar, waarvan één van de gezinsleden is aangewezen op vervoer in een busje of aangepaste auto, kan in plaats van collectief vraagafhankelijk vervoer, een aanpassing aan de auto worden toegekend.

Rechtspraak bij dit artikel