Sinds 2015 is begeleiding opgenomen in de Wmo 2015. Begeleiding kan zowel individueel als in een groep worden geboden. Het betreft activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en ter voorkoming van opname of verwaarlozing van de cliënt.
4.6.1 Groepsbegeleiding
Groepsbegeleiding staat vaak bekend onder de naam “dagbesteding” of “dagverzorging” en is:
programmatisch (met een vast dag- en/of weekprogramma);
methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel;
vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt;
gericht op het structureren van de dag, oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen of zoveel mogelijk in stand houden.
Groepsbegeleiding is nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten, ook al bevatten welzijnsactiviteiten elementen die in groepsbegeleiding voorkomen. Voor veel cliënten zal deelname aan welzijnsactiviteiten in bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte in de buurt voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Alleen voor cliënten die door hun cognitieve, psychische of ernstig fysieke beperkingen of gedragsproblematiek een dergelijke dagstructurering nodig hebben die is gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen, is groepsbegeleiding nodig.
4.6.2 Individuele begeleiding
Individuele begeleiding kent vele vormen, zoals:
toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden;
ondersteuning bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie;
oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag;
ondersteuning bij het organiseren van het dagelijkse leven (huishouden voeren, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken et cetera). Dit wordt vaak thuisbegeleiding genoemd.
Individuele begeleiding zou in sommige situaties ook in een groep kunnen worden gegeven, bijvoorbeeld bij activiteiten als thuisadministratie of geldbeheer. De begeleider kan dan een paar cliënten in het buurthuis ontvangen in plaats van iedere cliënt apart thuis te bezoeken.
4.6.3 Voorliggende voorzieningen
Behandeling
Alvorens begeleiding te verstrekken, is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Uitgangspunt hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo-consulent om dit te bepalen. Hiervoor wordt de medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld een ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde, in een revalidatiecentrum of centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). De behandeling is gericht op het verbeteren van de aandoening, stoornis of beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.
De diagnose is niet leidend maar doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contra-productief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet. In dat geval neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, tot dat de vaardigheden tijdens de behandeling zijn aangeleerd. Uiteraard dient hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.
(Wettelijk) voorliggende voorzieningen.
Er zijn (wettelijke) arbeidsvoorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Op grond van Ziektewet, WIA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is, groepsbegeleiding (dagbesteding) kan worden overwogen.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp
Wanneer mensen een beperking hebben, wordt bij activiteiten in het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding waar voorliggende voorzieningen mogelijk zijn of het de verantwoordelijkheid is van de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen en/of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:
activiteiten zoals computercursus of taalles;
alarmering;
pictogrammenbord of domotica in huis;
gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger;
dagopvang/huiskamerproject;
kinderopvang.
Net als bij hulp bij het huishouden wordt bij begeleiding het begrip “gebruikelijke zorg” gehanteerd. Gebruikelijke zorg is hulp die verwacht wordt van huisgenoten die normaliter wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of hulp die niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben.
Begeleiding door de partner, ouder, een volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt in de volgende gevallen als gebruikelijke zorg beschouwd.
In kortdurende situaties (maximaal drie maanden):
als het uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn.
In langdurige situaties (langer dan drie maanden):
bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek huisarts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes);
hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie;
het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt;
ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind.
Het CIZ heeft schema’s ontwikkeld waarmee binnen verschillende categorieën kan worden beoordeeld wat gebruikelijke zorg inhoudt. Op basis hiervan kan objectief worden vastgesteld welke taken gebruikelijk en welke bovengebruikelijk zijn.
4.6.4 Indiceren Begeleiding
Sinds 2015 is begeleiding verankerd in de Wmo 2015. In de Wmo vormt het gesprek (het onderzoek) de basis voor de indicatiestelling. Hoe individueel deze maatwerkvoorzieningen ook worden benaderd, er is toch behoefte aan instrumenten om de hulpvraag te objectiveren en hierdoor richting geven aan de indicatiestelling. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Zelfredzaamheidsmatrix (zrm, zie bijlage). Naar aanleiding van de uitkomst van de zrm wordt bepaald in welk cliëntprofiel de cliënt het beste past en welk resultaat behaald kan worden bij deze cliënt. Dit wordt beschreven in een zorgplan. Het zorgplan beschrijft niet enkel de huidige situatie, maar beschrijft ook de doelen of resultaten die behaald moeten worden.
Er zijn drie cliëntprofielen vastgesteld (zie bijlage voor een uitgebreide beschrijving):
verandering en groei;
welbevinden;
stabiliteit en behoud.
Binnen deze cliëntprofielen zijn drie niveaus geformuleerd: licht, middel en zwaar. In totaal zorgt dit voor negen geformuleerde resultaten die kunnen worden bereikt.
De zorgaanbieders worden geacht het beoogde resultaat bij de cliënt te realiseren. Indien de cliënt vervoer nodig heeft, omdat vervoer nodig is naar de locatie waar de (groeps)begeleiding wordt gegeven, is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het vervoer. In de prijsafspraken is het vervoer meegenomen, met uitzondering van rolstoelvervoer waarvoor een aparte vergoeding wordt gegeven.
4.6.5 Kortdurend verblijf
Bij kortdurend verblijf logeert iemand maximaal drie etmalen per week in een instelling, bijvoorbeeld in een gehandicapteninstelling, verpleegtehuis of verzorgingstehuis. Hierdoor wordt de mantelzorger ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die permanent toezicht nodig hebben. Dat kan het geval zijn bij valgevaar, als de cliënt zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedragsproblemen zijn. Dat toezicht kan ook een vorm van actieve observatie zijn, bijvoorbeeld bij kinderen met een lichamelijke beperking waarbij ouders actief de vitale functies van het kind moeten controleren. Het kan ook gaan om constante zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie.
Er zijn veel manieren om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan bijvoorbeeld door een vrijwilliger in te schakelen om een paar uur de zorg voor een cliënt over te nemen en ook dagbesteding kan als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben de mantelzorger te ontlasten. Soms is dat niet voldoende om het langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende vanwege de beperkingen van de cliënt. Alleen indien sprake is van de combinatie van voortdurende zorg en toezicht van de cliënt en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen, kan kortdurend verblijf worden geïndiceerd.
De omvang van kortdurend verblijf is één, twee of drie etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Er is een maximum van drie etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan drie etmalen in een instelling is sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van de Wlz of Beschermd Wonen moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld een verblijf van een week mogelijk te maken, zodat de mantelzorger op vakantie kan. In dat geval moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals respijtzorg vergoed door de ziektekostenverzekeraar, geen optie zijn.
In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is, moet dit geregeld worden via de zorgverzekering. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.
De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor Taxbus, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als Taxbus (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt.
4.6.6 Beschermd wonen
Cliënten die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat dat is gericht op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijkse activiteiten wonen vaak in een zogenoemde woonvorm voor beschermd wonen. Dit is geen grote instelling maar vaak een cluster van “gewone” woningen waarbij op kleine schaal cliënten uit een bepaalde doelgroep (psychiatrie, verstandelijke beperking, ouderen) bij elkaar wonen. Soms is sprake van een eigen leefeenheid, soms alleen van een eigen slaapkamer. Er zijn gemeenschappelijke ruimten waar de cliënten elkaar en de aanwezige begeleiders ontmoeten. Cliënten krijgen begeleiding bij het structureren van hun dagelijkse leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende daginvulling. Voor een deel van de cliënten is beschermd wonen een opstapje naar zelfstandig wonen.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 4.6
Begeleiding
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2016