Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het Algemeen Bestuur het geschil voor aan een daarvoor in te stellen geschillencommissie.
De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het Algemeen Bestuur, niet zijnde een lid van de betrokken gemeente(n), en één lid wordt aangewezen door het college van de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan die als voorzitter van de geschillencommissie optreedt.
De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen, en zo nodig derden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de aard van het geschil en/of het feitencomplex.
De geschillencommissie brengt in beginsel binnen drie maanden na de start van haar werkzaamheden advies uit aan de betrokken bestuursorganen over de mogelijkheden tot overeenstemming c.q. oplossing(en) inzake het gerezen geschil.
Indien het advies van de geschillencommissie niet leidt tot overeenstemming of een oplossing wordt het geschil, inclusief het door de geschillencommissie afgegeven advies, voorgelegd aan Gedeputeerde Staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Hoofdstuk 14:
Artikel 42:
Geschillen
Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers