Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › AFDELING 3

Artikel 2:11

Artikel 2:11

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2012

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt beslist: indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit: door het bevoegd gezag als beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning; in de overige gevallen: door het college. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Limburg, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel