Naar hoofdinhoud

§ 3.2.3

Artikel 32

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2016

1.. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.. De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze vastgesteld: a.. 10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan € 4.000; b.. 20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000. 3.. Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand. 4.. Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de P-wet. 5.. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor de soort kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien. 6.. Als toepassing van lid 4 leidt tot onbillijkheden wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder b, van de P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel