**1..** Voor de uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, kan gedurende zes maanden algemene vrijlating van inkomsten uit arbeid plaatsvinden. Hierbij wordt het percentage bepaald op 25% en wordt het maximumbedrag bepaald op het maximumbedrag overeenkomstig artikel 31 tweede lid, onderdeel n van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de IOAW, artikel 8, derde lid van de IOAZ.
**2..** De algemene inkomstenvrijlating wordt ambtshalve, of wanneer dit niet mogelijk is schriftelijk, toegekend indien dit volgens het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Hierbij wordt uitgegaan van de persoonlijke situatie van de uitkeringsgerechtigde en wordt maatwerk geboden.
**3..** De zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid kunnen, met oog op het tweede lid, voor verschillende periodes van arbeidsinkomsten kunnen worden ingezet binnen een maximale termijn van achttien maanden.
**4..** Het college bepaalt, indien noodzakelijk, welke gegevens de uitkeringsgerechtigde voor de vaststelling van het recht op de algemene inkomstenvrijlating moet verstrekken, alsmede het de wijze en het tijdstip waarop hij de gegevens moet verstrekken.
**5..** De algemene inkomstenvrijlating wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.
**6..** Het recht op de algemene inkomstenvrijlating bestaat één keer per periode van bijstandsverlening. De uitkeringsgerechtigde komt opnieuw in aanmerking voor de vrijlating nadat deze minimaal vierentwintig maanden is uitgestroomd richting arbeid.
Artikel 2.
Algemene inkomstenvrijlating
Onderdeel van Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Ede 2016