**1..** De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
**2..** De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen.
**3..** In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die inwonend is bij of inwoning heeft van een familielid in de eerste graad bloedverwantschap en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
**4..** Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
kinderen tot 21 jaar, ongeacht de hoogte van het inkomen;
kinderen van 21 jaar of ouder met een inkomen niet hoger dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000;
verzorgingsbehoevende en verzorgende tussen wie een eerste- of tweedegraads bloedverwantschap bestaat;
asielzoekers met een verstrekking als bedoeld in artikel 3 van de Regeling toekenning bevoegdheid aan COA tot uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekkingen Rva 1997.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Toeslagen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Toeslagenverordening 2012-1