Dossiervorming
De burgemeester baseert een bevel in de zin van art. 172a of 172b Gemeentewet op een gedocumenteerd dossier. Het dossier beargumenteert de noodzaak van het opleggen van het bevel boven andere interventiemogelijkheden.
Dossiervorming vindt plaats onder regie van de burgemeester. Veel van de in het dossier opgenomen feiten en omstandigheden zijn verzameld door de politie. Daarnaast wordt informatie van diverse partners op het gebied van veiligheid zoals het Openbaar Ministerie, reclassering of Bureau Jeugdzorg in het dossier gevoegd. Ook constateringen en processen-verbaal van gemeentelijke Buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) kunnen worden gebruikt in een dossier.
De informatie-uitwisseling tussen de gemeente Geertruidenberg en andere instanties moet in overeenstemming gebeuren met de Wet bescherming persoonsgegevens.
Het dossier dat ten grondslag ligt aan de bevelen van art. 172a en 172b Gemeentewet dient onder andere te bevatten:
De contactgegevens van de behandelend politieambtenaar, zorginstanties en/of andere instanties indien die betrokken zijn bij de overlastgever;
De contactgegevens van de overlastgever (ten minste de naam, leeftijd, woonplaats(adres) en indien mogelijk telefoonnummer) en indien van toepassing de gegevens van de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent;
De registraties van minimaal twee ordeverstorende gedragingen in de gestelde periode die leiden tot het opleggen van de maatregel;
De onderliggende processen-verbaal en registraties van alle bij de politie bekend zijnde gedragingen van de overlastgever over een redelijke periode. Dit heeft tot doel inzicht te krijgen in de gedragingen van de overlastgever en dient tevens als onderbouwing van het afgegeven bevel. Ook hier geldt dat de duur van de periode situatiegebonden is;
Traject wat al doorlopen is met de betreffende overlastgever/overlastgevende groep, dat wil zeggen interventies en het effect daarvan (jeugd- en jongerenwerk, hulpverleningstrajecten, waarschuwingen enzovoort).
* Dit onderdeel is een vereiste indien het gaat om twaalfminners!;
Registraties en aanwijzingen waaruit de vrees voor verdere verstoring van de openbare orde blijkt;
Bij een gebiedsverbod: een duidelijke omschrijving van het gebied waarvoor het verbod geldt en de tijdstippen;
Bij een meldingsplicht: gegevens van de locatie waar de overlastgever zich moet melden en gegevens wanneer de overlastgever zich dient te melden;
Indien er sprake is van een meldingsplicht in een andere gemeente: de toestemming van de burgemeester van de betreffende gemeente dat de overlastgever zich in zijn eigen gemeente mag melden;
Indien er sprake is van een verzoek tot verlenging van de maatregel: de registraties waaruit de hernieuwde vrees voor verstoring van de openbare orde blijkt.
Verzoek aan de burgemeester
Indien partners op het gebied van veiligheid van mening zijn dat aan een overlastgever een bevel zoals bedoeld in deze beleidsregels moet worden opgelegd, dan doen zij daartoe een verzoek aan de burgemeester. Bij dit verzoek voegen zij bovengenoemd dossier. Daarnaast wordt in het verzoek in ieder geval aangegeven:
Waarom de burgemeester gevraagd wordt van zijn bevoegdheid gebruik te maken (en niet bijvoorbeeld de officier van justitie);
Welke bevoegdheid gevraagd wordt in te zetten;
Daartoe benodigde gegevens (bijvoorbeeld een duidelijke omschrijving van het gebied waarvoor de maatregel moet worden opgelegd).
Uitreiken voornemen tot opleggen bevel
Op basis van het aangeleverde dossier beslist de burgemeester of hij van mening is dat de overlastgever in aanmerking komt voor één van de bevelen genoemd in art. 172a of 172b van de Gemeentewet. Bij de besluitvorming over het al dan niet opleggen van een bevel dient de burgemeester de bepalingen in afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (zorgvuldigheid en belangenafweging) in acht te nemen. De MvT van de Wet MBVEO bepaalt dat eerst minder ingrijpende maatregelen moeten worden ingezet en dat in de beschikking gemotiveerd moet worden waarom het burgemeestersbevel wordt geprefereerd boven andere interventiemogelijkheden. Indien de overlast gever in aanmerking komt wordt in principe allereerst een voornemen tot het opleggen van het bevel uitgereikt.
Het voornemen wordt door de politie (bij voorkeur wijkagent) in persoon aan de geadresseerde van het besluit uitgereikt en wordt (indien mogelijk) tevens aangetekend per post naar het huisadres gezonden. Bij uitreiking door de politie legt de politie deze handeling vast in het politiesysteem.
In het voornemen wordt vermeld:
Door welke gedragingen en op welke tijdstippen en plaatsen de overlastgever herhaaldelijk (groepsgewijs) de openbare orde heeft verstoord dan wel op grond van welke gedragingen de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat overlastgever daarbij een leidende rol heeft gehad;
Indien het gaat om een gebieds- of groepsverbod: de afbakening van het gebied waarvoor de burgemeester voornemens is een bevel op te leggen;
De voorgenomen ingangsdatum en duur van het bevel;
Op welke wijze de overlastgever kan reageren op het voornemen.
Zienswijze
De overlastgever kan binnen vijf werkdagen na het uitreiken van het voornemen tot het opleggen van een gebiedsverbod, groepsverbod en/of meldingsplicht zijn zienswijze aan de burgemeester kenbaar maken. Dit kan schriftelijk of mondeling. Indien de betrokkene zijn zienswijze mondeling kenbaar wil maken dan dient diegene daarvoor een afspraak te maken via de gemeente Geertruidenberg (bestuurssecretariaat). Van het zienswijzegesprek wordt door de gemeente een verslag gemaakt.
Van de mogelijkheid om een zienswijze te geven kan op grond van art. 4:11 AWB worden afgezien indien de vereiste spoed zich tegen horen verzet. Daarnaast kan het horen achterwege worden gelaten indien ordeverstoringen door de overlastgever alleen kunnen worden voorkomen als de overlastgever niet van tevoren in kennis wordt gesteld van de op te leggen maatregel.
Opleggen bevel
Een bevoel op grond van artikel 172a en 172b van de Gemeentewet is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. de totstandkoming van deze bevelen dienen derhalve aan de vereisten van de Awb te voldoen. Een bevel als bedoeld in art. 172a en b Gemeentewet wordt opgelegd uiterlijk 14 dagen na:
het zienswijzegesprek;
het ontvangen van de schriftelijke zienswijze;
afloop van de zienswijzetermijn als overlastgever geen zienswijze heeft ingediend.
Het bevel wordt door de politie in persoon uitgereikt en (indien mogelijk) per aangetekende post verstuurd. De geadresseerde van het besluit wordt gewezen op de mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen het definitieve besluit. Ook als de burgemeester besluit om uiteindelijk geen gebieds- of groepsverbod op te leggen, ontvangt de overlastgever daarvan schriftelijk bericht.
In de definitieve beschikking is opgenomen:
Door welke gedragingen en op welke tijdstippen en plaatsen de betrokken persoon herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord dan wel op grond van welke gedragingen de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat betrokkene daarbij een leidende rol heeft gehad;
Een concrete aanduiding van de objecten in of in de omgeving waarvan deze persoon zich niet mag bevinden dan wel van het gedeelte of bepaalde delen van de gemeente waar deze persoon zich niet (al dan niet in groepsverband) mag bevinden;
De ingangsdatum en duur van het bevel;
Reactie op de ingediende zienswijze (indien van toepassing);
Waarom de maatregel in het concrete geval noodzakelijk is (motivering).
De mogelijkheid voor het indienen van een bezwaarschrift of beroep tegen een definitieve beschikking.
de mogelijkheid voor het aanvragen van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter.
Een afschrift van het besluit van de burgemeester wordt gezonden aan de teamchef van politieteam Baronie en de gebiedsofficier van justitie.
Specifieke bepalingen voor bevelen met betrekking tot twaalfminners
De hierboven genoemde regels omtrent de werkwijze bij het opleggen van bevelen gelden ook voor bevelen met betrekking tot twaalfminners, met dien verstande dat deze bevelen worden opgelegd aan de personen die het gezag uitoefenen over de twaalfminner. Dit betekent dat:
het voornemen en het bevel worden geadresseerd en uitgereikt aan het ouderlijk gezag;
het ouderlijk gezag de gelegenheid krijgt hun zienswijze kenbaar te maken;
het zienswijzengesprek plaatsvindt met het ouderlijk gezag. Het ouderlijk gezag kan zich in het zienswijzengesprek door het kind laten vergezellen;
het ouderlijk gezag kan bezwaar en beroep aantekenen tegen een definitieve beschikking.
Artikel 4.6
Werkwijze
Onderdeel van Beleidsregel Geertruidenberg 2013, aanpak voetbalvandalisme en ernstige overlast