Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.1

Landelijke gedoogcriteria

Onderdeel van Coffeeshopbeleid Schiedam 2014 – 2018

In de Opiumwet is vanwege volksgezondheidsoverwegingen het onderscheid gemaakt tussen softdrugs en harddrugs. Harddrugs zijn als stoffen met een onaanvaardbaar risico op lijst I bij de wet geplaatst. Op lijst II staan de softdrugs, waaronder de cannabisproducten hennep en hasjiesj. Alle bezit en verkoop van de drugs die op deze lijsten staan, is verboden. De verkoop van cannabis in coffeeshops is dus niet legaal en daarmee in beginsel strafbaar, maar er wordt onder voorwaarden niet handhavend tegen opgetreden (gedogen). Het gebruik van drugs is niet strafbaar. Doelen landelijk gedoogbeleid Het landelijke gedoogbeleid is gericht op: het beheersbaar maken en houden van het gebruik en de verkoop van softdrugs (cannabis); het scheiden van de markten van hard- en softdrugs; de afname van het aantal cannabisverkooppunten (kwantitatieve sanering); een toename van het aantal bonafide ondernemingen (kwalitatieve sanering); een afname van het gebruik van (soft)drugs onder minderjarigen. AHOJGI+-criteria De verkoop van cannabis wordt alleen gedoogd in inrichtingen die zich houden aan de gedoogcriteria uit de Aanwijzing Opiumwet, eventueel aangevuld met gemeentelijke criteria. Deze inrichtingen worden coffeeshops genoemd en zijn in hoofdzaak gericht op de verkoop van cannabisproducten. Eventuele verkoop van etenswaren, drinkwaren en rookwaren is ondergeschikt aan deze hoofdfunctie. Coffeeshops moeten voldoen aan de zogeheten AHOJGI+-criteria die staan voor de volgende gedoogvoorwaarden: geen affichering (A): coffeeshops mogen geen reclame maken voor hun handelswaar, anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit; geen verkoop van harddrugs (H): coffeeshops mogen geen harddrugs verkopen en/of voorhanden hebben; geen overlast (O): coffeeshops mogen geen overlast veroorzaken. Hieronder wordt in ieder geval verstaan parkeeroverlast, geluidshinder, vervuiling en voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten; geen toegang en geen verkoop aan jeugdigen (J): coffeeshops mogen geen bezoekers onder de 18 jaar toelaten noch cannabis aan hen verkopen ; geen verkoop van grote hoeveelheden (G): coffeeshops mogen niet meer dan 5 gram cannabis per persoon per dag verkopen en maximaal 500 gram cannabis in voorraad hebben. De voorraad moet in de coffeeshop aanwezig zijn; geen toegang voor en verkoop aan niet-ingezetenen van Nederland (I): coffeeshops mogen geen toegang verlenen aan anderen dan ingezetenen van Nederland. De nationaliteit van de ingezetene is niet van belang, zolang hij ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie van een Nederlandse gemeente. alcoholverbod (+): coffeeshops zijn altijd alcoholvrije horecagelegenheden. In een coffeeshop mag geen alcohol verkocht worden. De exploitant dient er op toe te zien dat er in de coffeeshop geen alcohol wordt genuttigd.

Rechtspraak bij dit artikel