Gedragingen van de jongere waardoor de verplichting op grond van artikel
45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in
de volgende categorieën:
1.Eerste categorie:
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand, met
30% van de WIJ-norm verlaagd:
a.het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling.
b.Het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
medische aard.
2.Tweede categorie
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering, gedurende één maand, met
50% van de WIJ-norm verlaagd :
a.het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te
verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
b.het niet of in onvoldoende medewerken aan het behoud of bevorderen van
de arbeidsbekwaamheid;
c.het niet of onvoldoendemeewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
gericht op de arbeidsinschakeling;
het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
beste vermogen te verrichten.
Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt
gelijkgesteld het besluit
om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
artikel 8, derde lid.
Hoofdstuk 2.
Artikel 11
Indeling in categorieën en verlagingspercentages
Onderdeel van nr 12.16 Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren