1.Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:
a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
onrechte inkomensvoorziening is verleend.
2.Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
toegepast na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
plaatsgevonden.
3.Het college kan afzien van het toepassen van een verlaging indien het
daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
4.Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op grond
van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling
gedaan.
Hoofdstuk 1.
Artikel 8
Afzien van het toepassen van een verlaging
Onderdeel van nr 12.16 Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren