De leidinggevende respectievelijk de secretaris/alg. directeur of het college/dagelijks bestuur aan wie de melding inzake ongewenst gedrag is gedaan neemt de melding in behandeling.
De leidinggevende respectievelijk de secretaris/alg. directeur of het college/dagelijks bestuur onderzoekt de melding en gaat in gesprek met melder en de medewerker op wiens gedrag de melding betrekking heeft. In voorkomende gevallen kan de leidinggevende respectievelijk de secretaris/algemeen directeur of het college/dagelijks bestuur zich laten bijstaan door een interne of externe deskundige. De melder kan zich laten bijstaan door de vertrouwens- of een andere (raads-)persoon. De medewerker op wiens gedrag de melding betrekking heeft kan zich laten bijstaan door een andere (raads-)persoon.
De leidinggevende adviseert binnen vier weken na ontvangst van de melding aan de secretaris/algemeen directeur over de wijze waarop de melding kan worden afgehandeld. In het geval als bedoeld in artikel 3, tweede lid, adviseert de secretaris/algemeen directeur aan het college/dagelijks bestuur. Het advies gaat vergezeld van een verslag van de bevindingen van de leidinggevende respectievelijk de secretaris/algemeen directeur. De melder en de medewerker op wiens gedrag de melding betrekking heeft krijgen een afschrift van het advies.
De secretaris/algemeen directeur, en in voorkomende gevallen het college/dagelijks bestuur, neemt binnen zes weken na ontvangst een beslissing op de afhandeling van de melding.
Hoofdstuk II
Artikel 4
Procedure
Onderdeel van Regeling ongewenste omgangsvormen en klachtenprocedure Drechtsteden Zuid-Holland Zuid 2015