Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 44

C. Voorschriften voor verwarmings-, bak-, braad-, en kookinstallaties, niet zijnde mobiele bakkramen, als bedoeld onder B

Onderdeel van Verordening op de markten in de gemeente Doesburg

1.. De gasflessen moeten door de dienst voor het Stoomwezen op hun sterkte zijn beproefd en van een door deze dienst erkend geldig keurmerk zijn voorzien; de afsluiters op de gasflessen moeten een door deze dienst goedgekeurd type zijn; indien deze keuring blijkens het ingeponst keurmerk en datum meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, mogen de gasflessen niet meer worden gebruikt. 2.. De gasflessen moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij niet kunnen omvallen en zodanig zijn geplaatst, dat zij op elk moment gemakkelijk verwijderd kunnen worden. 3.. De gasflessen moeten zodanig zijn opgesteld, dat geen gevaar voor kunstmatige verhitting bestaat. 4.. De gasflessen mogen niet in een ten opzichte van het maaiveld of de straat verdiept gedeelte staan opgesteld. 5.. De installatie moet op de gasfles zijn aangesloten door, hetzij een vaste stalen of koperen leiding, hetzij een buigzame leiding, bestaande uit een goedgekeurde hogedrukslang met een lengte van 1 meter, welke met doelmatige slangklemmen is bevestigd. 6.. Een slang moet vrij en ongespannen zijn aangebracht en geen grotere lengte hebben dan 1 meter; ze mag op geen enkele wijze aan ontoelaatbare temperatuursinvloeden of mechanische beschadiging worden blootgesteld. 7.. Bij gebruikmaking van een slang mag slechts één toestel direct op de gasfles zijn aangesloten; indien meer toestellen moeten worden aangesloten, moet op de gasfles een vaste leiding zijn aangebracht en moeten de slangen door middel van doelmatige slangklemmen op aan deze leiding aangebrachte aansluitkranen worden aangesloten. 8.. Open bakken met olie, vet e.d. moeten voorzien zijn van een goedsluitende deksel, welke zich tijdens de gehele duur van het gebruik van de bak in de onmiddellijke omgeving daarvan dient te bevinden, zodat de bak zonodig direct kan worden afgesloten. 9.. Installaties mogen niet onbeheerd worden gelaten. 10.. Na afloop van de activiteiten mogen geen gasflessen worden achtergelaten, ook niet als deze ledig of nagenoeg ledig zouden zijn. 11. De inrichting dient zodanig te worden opgesteld dat ingeval van brand geen gevaar ontstaat voor objecten in de nabijheid.

Rechtspraak bij dit artikel