Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 4

Artikel 3.4.4

Verminderde verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Nissewaard 2016

1.. Aan de uitkeringsgerechtigde die is gehouden om gegevens of inlichtingen te verstrekken en: aan wie het niet geheel te verwijten is dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt wordt een boete opgelegd van ter hoogte 25% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt; aan wie het niet geheel te verwijten is dat er binnen de recidivetermijn als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de wet of artikel 20a, vijfde lid van de Ioaw/Ioaz geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt wordt een boete opgelegd van ter hoogte 25% van 150% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt; 2.. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de draagkracht van de belanghebbende; 3.. Bij het berekenen van de draagkracht als bedoeld in het tweede lid wordt uitgegaan van het aanwezige vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet, én het bedrag welke gelijk is aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet, waarbij voldoening van de boete mogelijk is binnen 6 maanden; 4.. Indien de verwijtbaarheid in het geheel ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel