Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 14.

Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Onderdeel van Erfgoedverordening Diemen 2008

1.. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.. Artikel 3, lid 2 en artikelen 4 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van monument gelezen moet worden beschermd stads- of dorpsgezicht en in plaats van monumentenlijst, lijst beschermde stads- of dorpsgezichten. 3.. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Holland. 4.. Ter bescherming van een op de lijst geplaatst stads- of dorpsgezicht stelt de raad een bestemmingsplan of een beheersverordening vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. 5.. Indien voor een gebied een of meerdere bestemmingsplannen vigeren neemt de gemeenteraad een besluit waarin wordt bepaald in hoeverre deze bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van lid 4 kunnen worden aangemerkt. 6.. Het is verboden het voortbestaan van bouwwerken die gelegen zijn in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht in gevaar te brengen en het is verboden in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht zonder vergunning van het college of in strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; bouwwerken te herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht; onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfscheidingen (niet zijnde een bouwwerk) en straatmeubilair te wijzigen bouwwerken te herstellen, geheel of gedeeltelijk af te breken, te wijzigen of te gebruiken op een wijze waardoor het beschermd stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 7.. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het zesde lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 8.. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning als bedoeld in lid 6 zijn de artikelen 11 en 12 van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel