Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 15.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Diemen 2008

1.. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologie kaart en waarbij die verstoring plaatsvindt: in een gebied met een beperkte archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en ingrepen plaatsvinden in de ophoging(zand)laag, of; in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2 en ingrepen plaatsvinden in de ophoging(zand)laag, of; in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2, of; in een gebied met zeer hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 20 m2. in het geldend bestemmingsplan of geldende beheersverordening regels zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; bij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening of een ontheffing als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; in een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening of in een ontheffingsbesluit als bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologie kaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel