**1..** Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 50 cm onder de
oppervlakte te verstoren.
**2..** Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
gemeentelijke archeologie kaart en waarbij die verstoring
plaatsvindt:
in een gebied met een beperkte archeologische
verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
500 m2 en ingrepen plaatsvinden in de ophoging(zand)laag,
of;
in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde en
het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2 en ingrepen
plaatsvinden in de ophoging(zand)laag, of;
in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde
en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2, of;
in een gebied met zeer hoge archeologische
verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
20 m2.
in het geldend bestemmingsplan of geldende
beheersverordening regels zijn opgenomen omtrent
archeologische monumentenzorg;
bij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder c van de Wet ruimtelijke ordening of een ontheffing
als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening
voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
monumentenzorg;
in een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet
ruimtelijke ordening of in een ontheffingsbesluit als
bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke
ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
monumentenzorg;
het college nadere regels stelt met betrekking tot de
uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
van een archeologisch monument of archeologisch
verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
archeologie kaart of de gemeentelijke
beleidsadvieskaart;
een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van
het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester
en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate
kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet
onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
zijn.