**1..** Beschikkingen tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën
als bedoeld in artikel 6 (de “urgentiebeschikking”) worden
uitsluitend afgegeven indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
er is sprake van een bijzondere (nood)situatie die is
ontstaan buiten verwijtbare schuld van de woningzoekende,
met dien verstande dat in voorkomende situaties rekenschap
wordt gegeven van het op het moment van de aanvraag tot
beschikking vigerende Sanctie & Kansenbeleid (of daarmee
naar zijn aard gelijk te stellen beleidsdocument) van de
woningcorporatie waar de woningzoekende zich overeenkomstig
het bepaalde in artikel 8 heeft geregistreerd, en;
de individuele situatie van de woningzoekende en zijn inzet
om zelf bij te dragen aan de oplossing van het woonprobleem
zijn uitgangspunten voor de beoordeling van het verzoek om
urgentiebeschikking, en;
de woningzoekende is voor het oplossen van de noodsituatie
expliciet aangewezen op zelfstandige woonruimte, en;
het jaarverzamelinkomen van het huishouden van
woningzoekende bedraagt niet meer dan de EU-normering, zoals
die luidt op het moment van de aanvraag van de beschikking,
om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen,
en;
de woningzoekende niet reeds een urgentiebeschikking heeft
verkregen die op basis van artikel 7, derde lid, is
ingetrokken dan wel die op basis van artikel 7, vierde lid,
onder b of d, van rechtswege is vervallen, en;
de woningzoekende is 18 jaar of ouder, en;
de woningzoekende staat ingeschreven in een
registratiesysteem voor woningzoekenden als bedoeld in
artikel 8, tenzij deze registratie voor bepaalde groepen
urgent-woningzoekenden in deze verordening uitdrukkelijk
niet van toepassing wordt verklaard, en;
de woningzoekende is niet via de reguliere weg woonruimte
aangeboden teneinde in de dringende behoefte aan passende
woonruimte te voorzien in welk kader het verzoek wordt
gedaan, welke woonruimte door hem/haar is geweigerd.
**2..** Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op statushouders.