Na melding (art. 45 Wk.) wordt de onderneming direct geregistreerd in het gemeentelijke register kinderopvang (art. 46 Wk.). Aan de registratie zelf zijn geen kwaliteitseisen verbonden, invulling en inzending van het registratieformulier is voldoende. Na ontvangst geeft de gemeente opdracht aan de toezichthouder GGD (art. 61 Wk.) om te onderzoeken of er sprake is van kinderopvang in de zin van de wet en of de geboden kwaliteit verantwoord is respectievelijk zal kunnen zijn (art. 49 Wk.). Deze globale kwaliteitseis is (ex art. 57a Wk.) nader uitgewerkt in de “Beleidsregels kwaliteit kinderopvang”, een ministeriële regeling op basis van het tussen de vereniging van ondernemers en de vereniging van ouders gesloten convenant (17 januari 2008).
Het GGD-onderzoek is eenmalig en vindt aangekondigd plaats. Dit onderzoek moet binnen 8 weken na melding plaats vinden (art. 10 Regeling Wk.). Deze termijn is erg belangrijk omdat een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie mag worden genomen zodra er 8 weken na de melding zijn verstreken. Dit tenzij de GGD-inspecteur, tijdig, negatief adviseert. Binnen deze 8 weken dient het college van B&W zich dan ook een oordeel te vormen of de aanstaande exploitatie moet worden tegengehouden. Exploitatie is ook toegestaan indien de inspectie nog niet is uitgevoerd binnen die 8 weken.
Deze 1e inspectie betreft slechts die kwaliteitsaspecten die voorafgaand aan een opening te onderzoeken zijn. Een volledig kwaliteitsoordeel is voor de start van de exploitatie niet mogelijk. Vooraf te onderzoeken zaken zijn in ieder geval: accommodatie, oppervlakte, buitenspeelruimte, roosterindeling en indien al aanwezig: diploma’s en verklaringen omtrent het gedrag van het personeel. Niet “vooraf-te-onderzoeken” aspecten (zoals bijvoorbeeld leidster/kind-ratio, het voldoen aan het pedagogisch beleidsplan, overleg oudercommissie) komen in de verplichte jaarlijkse periodieke inspectie aan bod. Deze jaarlijkse inspectie moet voor “starters” binnen 3 maanden na de opening plaatsvinden (art. 5 Beleidsregels werkwijze toezichthouder).
De GGD legt binnen 6 weken (art. 62 Wk. jo art. 7 beleidsregels toezichthouder) na de controle haar oordeel vast in een inspectierapport nadat de ondernemer tijdens een overleg in de gelegenheid is gesteld om van een eerder opgesteld ontwerprapport kennis te nemen en om feitelijke onjuistheden daarin aan te geven. Is er een (blijvend) verschil van mening ten aanzien van de ontwerprapportage, dan krijgt de ondernemer 2 weken de tijd om zijn zienswijze te formuleren en toe te sturen aan de GGD (art. 63 Wk. jo art. 7 lid Beleidsregels werkwijze toezichthouder). De zienswijze wordt als bijlage bij het inspectierapport gevoegd.
Ingeval de toezichthouder GGD na onderzoek (art. 61 jo. 62 Wk.) concludeert dat de exploitatie redelijkerwijs zal kunnen gaan plaatsvinden conform de wettelijke regels voor een verantwoorde kinderopvang, kan de exploitatie starten. De inspecteur van de GGD legt zijn bevindingen vast in oordelen en beschrijft wat hij heeft gezien en hoe hij tot dat oordeel is gekomen. Het rapport wordt afgesloten met een beschouwing, afspraken met de ondernemer en een advies aan de gemeente. In deze situatie kan de gemeente zich, naar verwachting, beperken tot beoordeling van de jaarlijkse standaardcontroles door de GGD. Vanzelfsprekend moet er ook gereageerd worden op (tussentijdse) signalen van bijvoorbeeld dezelfde GGD, oudercommissies, individuele ouder(s), ondernemers en andere burgers en op de door de ondernemer (verplicht) doorgegeven wijzigingen.
Indien er geen sprake is van een instemmende verklaring omdat niet wordt of kan worden voldaan aan de eisen dan is exploitatie verboden en volgt er, na overleg tussen inspecteur en gemeente, zonodig een exploitatieverbod. Het handhavingsmechanisme treedt in werking en er worden concrete afspraken met de ondernemer gemaakt aan welke eisen binnen welke termijn alsnog moeten worden voldaan.
Aandachtspunt:
Om de gemeente in staat te stellen zich binnen 8 weken na de melding een oordeel te vormen over een al dan niet noodzakelijke handhavingsactie, hebben de regiogemeenten met de GGD afgesproken dat de inspecteur binnen 6 weken na melding zorgdraagt voor rapportage. De gemeente heeft dan nog 2 weken de tijd om tot oordeelsvorming (en eventuele actie) te komen.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1.
Procedure na melding/ registratie, inspectie kwaliteitseisen
Onderdeel van Handhavingsbeleid Wet Kinderopvang Oldenzaal 2009