Naar hoofdinhoud

Artikel 2

– Kosten en bijzondere bijstand

Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere bijstand voor kosten huishoudelijke hulp

Het college verleent bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp naar het gestelde in deze beleidsregels. Het college verleent de bijzondere bijstand tot ten hoogste de kosten van de goedkoopst adequate voorziening. Bij de aanvraag wordt door de aanvrager een contract of overeenkomst overgelegd. Binnen de WMO 2015 is huishoudelijke hulp een algemene voorziening. Daaronder wordt verstaan: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1 WMO 2015). Bij de beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand moet het college echter de noodzakelijkheid van de kosten beoordelen. De noodzaak van de huishoudelijke hulp en de omvang daarvan in uren per week wordt door het gebiedsteam vastgesteld. De noodzakelijkheid van de kosten van huishoudelijke hulp kan voor personen die vóór 2015 al hulp in de huishouding ontvingen blijken uit een in het WMO-persoonsdossier aanwezig besluit op grond waarvan vóór 2015 huishoudelijke hulp is toegekend. Bij de aanvraag worden bewijsstukken overgelegd zodat aannemelijk is dat de kosten gemaakt worden. Achteraf wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Hoogte van de bijzondere bijstand / richtprijzen Het college komt bij de verlening van bijzondere bijstand de beleidsvrijheid toe richtprijzen als uitgangspunt voor de hoogte van de bijstand te nemen. Wanneer voor bepaalde kosten meerdere (adequate) voorzieningen mogelijk zijn, mag voor de goedkoopste voorziening worden gekozen. Daarom kan worden volstaan met een vergoeding ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening (zie o.a. CRvB 15-10-2013, nr. 12/439 WWB). Het zonder meer vaststellen of maximeren van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand op de toepasselijke richtprijzen is echter niet altijd toegestaan. Het college mag er niet zonder meer van uitgaan dat de noodzakelijke kosten in een individuele situatie overeenkomen met de richtprijzen. Als de noodzaak van de meerkosten ten opzichte van de richtprijzen niet is aangetoond, is het college niet gehouden een hogere vergoeding te verstrekken dan de vergoeding conform de richtprijzen. De te hanteren richtprijzen worden door het college vastgesteld op basis van de vigerende tarieven van de verschillende aanbieders van huishoudelijke hulp.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel