Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Bevoegdheden van het college

Onderdeel van Beleidsregels handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen regio Twente

De bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes is aan het college van burgemeester en wethouders toegekend in artikel 1.72, eerste lid, onder a, Wkkp. Het college kan een bestuurlijke boe-te opleggen indien sprake is van één van de volgende situaties: een houder komt een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, Wkkp niet na; een houder komt een aanwijzing als bedoeld in artikel 1.65, eerste lid, Wkkp niet na; een houder komt een bevel als bedoeld in artikel 1.65, derde lid, Wkkp niet na; een houder komt artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet na; een houder handelt in strijd met een verbod, opgelegd krachtens artikel 1.66 Wkkp. Het college kan een bovengenoemde overtreding niet afdoen met het opleggen van een bestuurlijke boete, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezond-heid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft (zie artikel 1.72, tweede lid, Wkkp). Daarnaast ziet het college af van het opleggen van een bestuurlijke boete indien: tegen de overtreder voor dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd; of aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd; of de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten; of de overtreder is overleden. De aan het college toegekende bestraffende handhavingmiddelen houden het volgende in. Sinds 1 juli 2009 bestaat de algemene mogelijkheid tot het opleggen van een bestraffende sanctie: de bestuurlijke boete (in diverse bijzondere bestuurswetgeving bestond deze mogelijkheid reeds vóór genoemde datum). Onder bestuurlijke boete dient volgens artikel 5:40 Awb te worden verstaan ‘de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot het betalen van een geld-som’. Het opleggen van een bestuurlijke boete is enkel en alleen mogelijk aan de overtreder. Aldus is het van belang om vast te stellen wanneer iemand als overtreder kan worden aangemerkt. De boete kan in principe op elk moment, nadat is geconstateerd dat er sprake is van handhaving. worden opgelegd. Dat kan dus meteen aan het begin van het Handhavingproces, na een bepaalde stap of aan het einde van een stap. De vrijheid of je een boete oplegt is aanwezig. Wil je afwijken, ook wel maatwerk genoemd, dan zal je dat moeten motiveren. Vooral bij negatieve afwijkingen t.o.v de genormeerde boete is de motivering zeer van belang. 3.1.1 Het geven van de cautie De cautie is gebaseerd op het recht van verdachten om te zwijgen en om zichzelf niet te incrimineren. Het doel ervan is om te voorkomen dat een verdachte ongewild meewerkt aan zijn eigen veroordeling. De Algemene wet bestuursrecht verwoord het in artikel 5.10a als volgt: Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Vóór het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Het geven van de cautie komt voor in het strafrecht en heeft als doel dat men zichzelf niet hoeft te incrimineren en dat het geven van de cautie behoort tot de elementaire kenmerken van een eerlijke procedure. Als een controlerende ambtenaar, bijvoorbeeld een inspecteur van de belastingdienst of medewerker van de sociale dienst, vragen stelt, is de burger over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar hierdoor die burger gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de opsporingssfeer).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel