Binnen de handhaving kunnen twee typen sancties onderscheiden worden, te
weten herstellende sancties en bestraffende sancties. Deze typen
sancties bestaan naast elkaar en derhalve kunnen sancties van een
verschillend type tegelijkertijd worden opgelegd.
1.2.1. Herstellende sancties
In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een herstellende sanctie
wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie die
strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van
een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding,
dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een
overtreding.
Hieruit volgt dat het doel van de herstellende sanctie met name gelegen
is in het voorkomen van voortduren van de overtreding en/of herhaling in
de toekomst. Bestraffing van reeds begane overtredingen kan via de
bestraffende sanctie (zie hieronder).
Welke herstellende sancties worden er onderscheiden binnen dit
handhavingsbeleid?
Stap 1
Schriftelijk bevel
Dit is een handhavingsmiddel dat in spoedeisende gevallen door de
GGD-inspecteur direct tijdens een inspectie ingezet kan worden. Het
middel wordt door de GGD-inspecteur ingezet en niet door het college.
Daarom wordt dit bevel in dit Afwegingsmodel niet nader genoemd. Inzet
van dit middel wordt door de GGD-inspecteur bepaald. De GGD geeft een
bevel indien hij van mening is dat de kwaliteit bij een kindercentrum,
gastouderbureau of peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen
van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. In geval van
overtredingen met een lage of gemiddelde prioritering zal hier niet snel
sprake van zijn.
OF Aanwijzing
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich
een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een
gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of krachtens
hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2,
paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of
in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing
geven.
In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten
de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd.
Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen dienen te
worden.
Hersteltermijn
Bij een aanwijzing wordt de houder een hersteltermijn gegeven. De
hersteltermijn wordt bepaald door de zwaarte van de overtreding, welke
zichtbaar wordt via de prioritering. De hersteltermijn in dit model
wordt aangegeven in een bandbreedte. De handhaver geeft per concreet
geval de exacte hersteltermijn aan. Na het verstrijken van de
hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle
hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel
opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd,
dan zal een volgende stap worden ingezet.
Stap 2.
Last onder dwangsom
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie,
inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
en
de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet
of niet tijdig wordt uitgevoerd.
De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een
geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen
resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last
onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit.
Verschil tussen een last onder dwangsom en een preventieve
dwangsom
Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat
enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar
van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de
overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal
voordoen.
Het verschil met een ‘gewone’ last onder dwangsom is, dat deze ‘gewone’
last opgelegd wordt als herstelsanctie, nadat een overtreding heeft
plaatsgevonden. Dit kan diverse doelen hebben, onder meer het ongedaan
maken van een overtreding en het voorkomen van herhaling. Als een
overtreding heeft plaatsgevonden, maar inmiddels wel is hersteld, kan
dus nog steeds een last onder dwangsom worden opgelegd ter voorkoming
van herhaling. Hiervoor geldt als criterium of er gegronde vrees voor
herhaling bestaat.
Of eventueel Last onder bestuursdwang
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie,
inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
en
de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk
handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet
tijdig wordt uitgevoerd.
In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de
overtreding op te lossen (op kosten van de overtreder) kan een last
onder bestuursdwang opgelegd worden. Door de aanvullende sanctie van een
exploitatieverbod binnen de handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen
zijn er nog maar weinig overtredingen die zich daarnaast lenen voor
toepassing van bestuursdwang. De optie last onder bestuursdwang is, op
een enkele overtreding na, daarom niet opgenomen in dit Afwegingsmodel.
Echter, op grond van het bestuursrecht geldt dat in die gevallen waarin
last onder dwangsom mogelijk is, ook bestuursdwang kan worden toegepast
indien het college de overtreding daardoor zelf kan doen
beëindigen.
Stap 3.
Exploitatieverbod
Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een
kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau
voort te zetten dan wel verbieden de instandhouding van een
peuterspeelzaal voort te zetten. Dit kan het college zolang de houder
een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder
bestuursdwang niet mogelijk is.
Ook kan het college de houder verbieden de locatie in exploitatie te
nemen, zolang niet of niet langer aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk
1, afdeling 3, paragraaf 2 of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 2 is
voldaan.
Stap 4.
Verwijdering uit het register kinderopvang of het register
peuterspeelzaalwerk
Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van
handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het
register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen:
indien is gebleken dat de houder niet langer de organisatie voor
kinderopvang exploiteert;
indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de
houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de
bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 of
hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 van de Wko gegeven
voorschriften;
indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de
organisatie voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet
daadwerkelijk is aangevangen.
Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register, is
er geen sprake meer van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk in de zin
van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang
en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van
overtreding van de Wet Economische Delicten.
Doordat een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een
gastouderbureau uit het register is verwijderd, wordt ook de grond voor
het recht op kinderopvangtoeslag voor vraagouders beëindigd.
Verloop herstellend handhavingtraject
Een herstellend handhavingtraject verloopt in beginsel volgens de
hierboven beschreven stappen. Er kunnen zich echter situaties voordoen,
waarin het naar beoordeling van het college gerechtvaardigd is om,
gezien de aard en/of ernst van de overtreding, bepaalde stappen ‘over te
slaan’ en direct over te gaan tot inzet van een zwaardere sanctie. Eén
van de situaties waarin dit zich kan voordoen is recidive.
1.2.2 Bestraffende sancties
In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een bestraffende sanctie
wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie voor
zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen. Een bestraffende
sanctie bestraft een overtreding die ‘in het verleden’ begaan is. Er is
dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. De vorm
van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang is de
bestuurlijke boete.
Een bestuurlijke boete kan apart, maar ook gelijktijdig met een
herstellend handhavingtraject worden opgelegd.
Grondslag bestuurlijke boete
Bij kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en
gastouderbureau’s
Op grond van art.1.72 Wko is het college bevoegd terzake een aantal
overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke
boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.
Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder geval
aangewezen in de volgende situaties:
In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij
of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.60a Wko (hoofdstuk 1
afdeling 3 Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor
gastouderopvang en gastouderbureaus);
In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 1.65
WKo) niet nakomt;
In geval de houder een kindercentrum, voorziening voor
gastouderopvang of GOB blijft exploiteren, terwijl op grond van
artikel 1.66 Wko aan hem een exploitatieverbod is opgelegd;
In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een
toezichthouder (art. 5:20 Awb);
In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet
op het primair onderwijs niet nakomt.
Bij voorziening voor gastouderopvang
Voorzieningen voor gastouderopvang vallen volledig onder het regime van
toezicht en handhaving en daarbij is ook de mogelijkheid om een
bestuurlijke boete op te leggen van toepassing. Een voorziening voor
gastouderopvang is echter toch een bijzonder object van toezicht en
handhaving. Derhalve is er voor gekozen niet vooraf in dit model
boetebedragen te noemen voor overtredingen in het hoofdstuk
‘gastouderopvang’. Indien het college een overtreding van een
voorziening voor gastouderopvang wil sanctioneren met een bestuurlijke
boete, zal in dat geval het boetebedrag bepaald worden, met inachtneming
van de algemene bepalingen hieromtrent in dit handhavingsbeleid. Daarbij
kan bijvoorbeeld een relatie worden gelegd met de boetebedragen zoals
die zijn bepaald binnen de dagopvang.
Bij peuterspeelzalen
Voor peuterspeelzalen geldt dat de mogelijkheid om een bestuurlijke
boete op te leggen, is bepaald in artikel 2.28 Wko. Artikel 2.27 Wko
bepaalt daarnaast dat een bestuurlijke boete alleen
opgelegd kan worden aan niet-gesubsidieerde
peuterspeelzalen. Dit betekent dat het onderdeel
‘bestraffende sanctie’ in dit Afwegingsmodel alleen van toepassing is op
niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Bij gesubsidieerde
peuterspeelzalen kan wel via de subsidie ingegrepen worden.
Op grond van artikel 2.28 Wko is het college bevoegd terzake een aantal
overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke
boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.
Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder geval
aangewezen in de volgende situaties:
In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij
of krachtens de artikelen 2.2 tot en met 2.13 Wko (hoofdstuk 2
afdeling 2 Kwaliteit peuterspeelzalen);
In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 2.23
WKo) niet nakomt;
In geval de houder een peuterspeelzaal in stand blijft houden
terwijl op grond van artikel 2.24 Wko de voortzetting van de
instandhouding is verboden;
In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een
toezichthouder (art. 5:20 Awb);
In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet
op het primair onderwijs niet nakomt.
Opleggen bestuurlijke boete
Wanneer wordt een boete opgelegd?
Bij een overtreding van de prioriteit ‘hoog’ zal in beginsel een boete
ter hoogte van het in dit Afwegingsmodel genoemde bedrag worden
opgelegd.
Bij overtredingen met een prioriteit ‘gemiddeld’ of ‘laag’ kan het
college besluiten een boete ter hoogte van het in dit Afwegingsmodel
genoemde bedrag op te leggen. Bij een overtreding van de overtredingen
uit het hoofdstuk ‘Overige overtredingen’ zal in beginsel een boete ter
hoogte van het in het Afwegingsmodel genoemde bedrag worden
opgelegd.
Wanneer geen bestuurlijke boete?
Het college legt geen boete op:
indien de overtreder aannemelijk maakt dat elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt; of
indien de houder, zijnde een natuurlijk persoon (en geen
rechtspersoon), is overleden; of
bij opzet of bewuste roekeloosheid en direct gevaar voor de
gezondheid of de veiligheid van personen; of
indien tegen de houder (overtreder) voor dezelfde gedraging
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting
is begonnen; dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd;
indien aan de houder (overtreder) wegens dezelfde overtreding
reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.
Hoogte bestuurlijke boete
De in dit handhavingsbeleid genoemde boetebedragen zijn richtlijnen. Per
geconstateerde overtreding zal bepaald moeten worden of het genoemde
boetebedrag proportioneel is. Het college stemt de bestuurlijke boete af
op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder
kan worden verweten. Het college houdt daarbij zo nodig rekening met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Boeteverhogende en boeteverlagende
omstandigheden
Van boeteverhogende of –verlagende omstandigheden kan bijvoorbeeld
sprake zijn, in geval van:
recidive door de houder (boeteverhogend);
opzettelijk niet naleven van de bij of krachtens de Wet
kinderopvang gestelde voorschriften (boeteverhogend);
een kleine, net startende houder (boeteverlagend).
1.2.3 Matiging
Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien de
belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst van de
overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de
overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder
verkeert, boeteoplegging volgens dit Afwegingsmodel onevenredig is.
Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van
bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van dit
Afwegingsmodel niet is voorzien.
1.2.4 Cautie
De cautie is gebaseerd op het recht van verdachten om te zwijgen en om
zichzelf niet te incrimineren. Het doel ervan is om te voorkomen dat een
verdachte ongewild meewerkt aan zijn eigen veroordeling.
De Algemene wet bestuursrecht verwoord het in artikel 5.10a als volgt:
Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een
bestraffende sanctie is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen
omtrent de overtreding af te leggen. Vóór het verhoor wordt aan de
betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Het geven van de cautie komt voor in het strafrecht en heeft als doel
dat men zichzelf niet hoeft te incrimineren en dat het geven van de
cautie behoort tot de elementaire kenmerken van een eerlijke procedure.
Als een controlerende ambtenaar, bijvoorbeeld een inspecteur van de
belastingdienst of medewerker van de sociale dienst, vragen stelt, is de
burger over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar
hierdoor die burger gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan
sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de
opsporingssfeer).