Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari
2016
Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31
december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de
voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.
Toelichting:
1a Bestaande garantietoelage en
afbouwtoelagen.
Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen –
ongeacht de benaming – die naast het salaris structureel
onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende
ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in
salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde
onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij
invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere
woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden
meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals
geregeld in dit overgangsrecht.
Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van
hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun
grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze
zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij
toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van
toepassing blijven.
1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
overeengekomen einddatum.
Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd
op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een
toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is
als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich
ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het
moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de
toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens
welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is
vastgelegd in een besluit.
Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage
zoals sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een
verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan
doorgroeien naar een managementfunctie een toelage gegeven voor
maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in
de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde
toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen
met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door
conform de afspraken en tot de vastgelegde einddatum.
Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met
uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de
Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.
Lokale financiële arbeidsvoorwaarden 1 Bruto blijft bruto, netto blijft
netto.die op al het personeel binnen een gemeente worden
toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de
lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling,
vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in
dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet
in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
(jaarbedrag) deel 1.
Toelichting:
Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet
terugkeren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk
3.
Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de
lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn
opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog
bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in
hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014
(roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor
elke medewerker die het betreft bepaald:
hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang
geldende regels voor toelagen/vergoedingen
hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe
systematiek.
Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel
2.
Toelichting:
Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakantietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten) omvat dan
het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het
vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het
daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van
hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, dienen de
betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname
in de TOR met 8% te worden verhoogd.
In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode
vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe
hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden
gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het
overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk
overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers
die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met
een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het
dienstverband ongewijzigd bestaan.
De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee
verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn
feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om
te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een
vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt,
bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2
is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend
zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of
vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is
opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of
rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als
refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een
recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat
aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk
is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende
(lokale) regels.
De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan
de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het
eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is
betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee
de TOR 2 gevuld.
Geen roosters
Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan
reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar
geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere
rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het
werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de
roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van
hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling
van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit
2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR.
Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT
hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest
hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.
Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die
bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat
bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd,
de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast
voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor
nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als
het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die
bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit alternatief passend
zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door
opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in
refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als
2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer
dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel
overwerk of andere redenen wordt in onderling overleg een ander
representatief refertetijdvak vastgesteld.
Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode
te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet
representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014
extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding
te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de
bedoeling van het overgangsrecht.
De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer
worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat
erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die
recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan.
Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel
overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg
in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en
een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een
reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk
is om de roosters van 2014 te reproduceren.
Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
loonontwikkelingen.
Toelichting:
De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt
tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2
–omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3
hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief
verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 (-Euro 200) = Euro
100-.
De TOR is een nominaal bedrag en geldt voor de betreffende
medewerker als een salaristoelage. De TOR telt mee voor de
vaststelling van de vakantietoelage en is onderdeel van de
pensioengrondslag. De TOR telt niet mee bij de berekening van de
eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage.
Er zijn geen anticumulatiebepalingen.
Toelichting:
Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het
inkomen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk
3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met
een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de
TOR van de medewerker.
Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand
december.
Toelichting:
De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand
december wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste
situatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en
een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal,
beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat
lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt
is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO
gesprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep
dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
gemaakt.
De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
jaar.
Toelichting:
Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime
dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato
verlaagd.
Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
uitgekeerd.
Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
de toelage overgangsrecht H3 naar rato.
Toelichting:
Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de
TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof
geniet of ziek is.
Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
effect.
Toelichting:
De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in
principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de
aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.
Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
betaling in termijnen gemaakt worden.
Toelichting: Zie punt 8.
Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
31 december 2020) recht zouden hebben op een
ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.
Toelichting:
De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen
overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die
uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de
gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die
oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling
vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het relevante
aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen.
Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine
groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is op in
een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude
regeling op te nemen.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 4
Artikel 3:27
Overgangsrecht
Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst