Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 10.

Reserves en voorzieningen

Onderdeel van Financiële verordening 2016

1.. Het vormen, wijzigen en opheffen van reserves is een bevoegdheid van de raad. 2.. Voorzieningen hebben een verplichtend karakter en harde kaders. Deze moeten verplicht gevormd worden (artikel 44 BBV). 3.. Voorzieningen worden jaarlijks geactualiseerd op basis van de actuele plannen. 4.. Bij de reserves zijn de volgende functies te onderscheiden Bestedingsfunctie: reserves die in het leven zijn geroepen voor een bepaald doel, hebben een bestedingsfunctie. Bufferfunctie: er wordt een “spaarpot” gecreëerd om bestaande en toekomstige risico’s op te kunnen vangen. Inkomensfunctie: er is sprake van een inkomensfunctie indien de rente-opbrengsten van de reserves worden aangewend als dekkingsmiddel voor de exploitatielasten. 5.. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven: het specifieke doel van de reserve; de voeding van de reserve; de maximale hoogte van de reserve; de maximale looptijd. 6.. Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. 7.. Voorzieningen hebben alleen een bufferfunctie. 8.. Rentetoerekening reserves: Bestedingsfunctie: inflatierente, tenzij de reserve ter dekking van de kapitaallasten is gevormd (rekenrente) of geen duidelijk doel is geformuleerd (geen rente). Bufferfunctie: rekenrente Inkomensfunctie: rekenrente 9.. Aan voorzieningen wordt in principe geen rente toegevoegd. Uitzondering hierop vormt de dekkingsvoorziening riolering, hierop wordt conform het vastgestelde rioleringsplan wel rente bijgeschreven.

Rechtspraak bij dit artikel