Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 4

Artikel 4.4.2

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te kappen of te doen vellen. Het college stelt een kaart vast waarop gebieden zijn aangewezen. Het college stelt een lijst vast waarop bijzondere bomen staan vermeld. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de gevallen all benoemd in at/m k tenzij er sprake is van een bos en/of bosplantsoen als bedoeld in art 4.4.1. lid 1 onder c. Het kappen of vellen van een bos en/of bosplantsoen is altijd vergunningplichtig: dode bomen; bomen die een stamomtrek hebben van minder dan 95 centimeter; bomen die geen eigendom zijn van de gemeente en niet zijn gelegen binnen de op de kaart aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits de stamomtrek van de boom kleiner is dan 160 centimeter; bomen die eigendom zijn van de gemeente, en niet vallen binnen de op de kaart aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits de boom niet staat op de lijst van bijzondere bomen, zoals bedoeld in lid 3; wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; fruitbomen die deel uitmaken van een bedrijfsmatige exploitatie en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbepalingen van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; k.houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een k. aanschrijving of last van het college. Voor het bepalen van de stamomtrek als bedoeld in het tweede lid geldt: de stamomtrek van de stam 1.30 m. boven het maaiveld; bij meerstammigheid de diameter van de dikste stam.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel