Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 4

Artikel 4.4.4

Bijzondere vergunningsvoorschriften

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde herbeplanting moet worden vervangen. 2.. Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het bevoegd gezag aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat een financiële compensatie moet worden betaald in het belang van de instandhouding van het bomenbestand. 3.. Het bevoegd gezag kan aan de kapvergunning ook het voorschrift verbinden dat niet eerder wordt gerooid dan nadat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvoor de kapvergunning wordt aangevraagd, is verleend en er zes weken na bekendmaking van de omgevingsvergunning zijn verstreken en er gedurende die periode geen voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter is aangevraagd ter schorsing van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Indien er gedurende deze periode van zes weken wel een verzoek om voorlopige voorziening is aangevraagd dan mag pas van de kapvergunning worden gebruik gemaakt nadat op het verzoek negatief is beslist dan wel bij toewijzing van het verzoek, de schorsing is beëindigd.

Rechtspraak bij dit artikel