**1..** Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de gekochte voorziening noodzakelijk was.
**2..** Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld.
**3..** Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken:
een persoon die behoort tot het sociaal netwerk van cliënt, krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt eveneens door het college in het Besluit vastgesteld;
tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.
**4..** Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
**5..** Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen gebruikt of besteed zijn ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. De cliënt is in dat geval verplicht om door het college gevraagde informatie en stukken, op verzoek van het college per omgaande te verstrekken.
**6..** Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.
Artikel 11.