Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.7

Conclusies.

Onderdeel van Nota Rentebeleid 2012

Samenvattend komen wij tot de volgende conclusies: Als methodiek voor het bepalen van de korte termijn rentepercentage uitgaan van: het meest actuele rentepercentage van de benchmark BNG, uitgaande van het 3 maands interbancair percentage; de rentevisie op basis van de verwachtingen van zes grote banken voor het komende jaar zoals gepubliceerd door Thésor, uitgaande van Euribor 3 maands, prognose over 12 maanden; eigen inschatting van de renteontwikkeling voor het komende jaar. Voor het bepalen van het lange termijn rentepercentage voor aan te trekken gelden de geldende methodiek handhaven: het meest actuele rentepercentage van de benchmark BNG, uitgaande van het gemiddelde van de laatste tien jaren bij percentages gebaseerd op 10-jarige leningen; de rentevisie op basis van de verwachtingen van enkele grote banken voor het komende jaar zoals gepubliceerd door Thésor; de rentepercentages bij het aangaan van een vaste geldlening bij de BNG; eigen inschatting van de renteontwikkeling voor de komende jaren. De methodiek voor het percentage van uit te zetten gelden baseren op: rentevisie van een aantal grote banken, waaronder de BNG; rentevergoeding op lopende spaarrekeningen; depositorente voor de lange termijn met verschillende looptijden, zoals 5, 7 en 10 jaar; depositorente voor de korte termijn (korter dan 1 jaar); eigen inschatting van de renteontwikkeling voor de komende jaren. De huidige systematiek van totaalfinanciering blijven handhaven. Om adequaat in te kunnen spelen op gewijzigde financiële en economische omstandigheden is het college van burgemeester en wethouders bevoegd in bijzondere situaties gemotiveerd af te wijken van de bepalingen in de rentevisie. Het college informeert in die gevallen de gemeenteraad.

Rechtspraak bij dit artikel