Bij het toevoegen of onttrekken van middelen aan voorzieningen gelden de volgende beleidsregels:
toevoegingen aan voorzieningen lopen via de exploitatie;
uitgaven geschieden rechtstreeks ten laste van de voorziening, mits de middelen gebruikt worden voor het doel waarvoor de voorziening is ingesteld;
voorzieningen zijn precies dekkend voor de achterliggende verplichtingen of risico’s:
is de omvang van een voorziening te hoog dan valt het teveel aan middelen vrij ten gunste van de algemene middelen;
indien de onderliggende risico’s of plannen te laag zijn ingeschat dan moet de voorziening direct op het vereiste niveau worden gebracht;
aan een voorziening wordt geen inflatiecomponent toegevoegd;
aan een voorziening wordt geen rente toegevoegd (uitgezonderd de voorziening tegen contante waarde).
een voorziening mag nooit negatief worden. De enige uitzondering betreft voorzieningen die gevormd zijn uit de opbrengsten van heffingen. Negatieve standen bij voorzieningen, ook al is dat niet geraamd, moeten in de rekening worden aangevuld;
als het doel van de voorziening wijzigt, doordat de noodzaak vervalt, valt de voorziening in de exploitatie vrij;
afromingen en vrijval van voorzieningen worden, ook al is dat niet geraamd, in de rekening verwerkt;
een onttrekking aan de voorziening mag nooit hoger zijn dan het saldo (uitgezonderd voorzieningen die gevormd zijn uit de opbrengsten van heffingen);
voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de nominale waarde van leningen en vorderingen verrekend;
verliesvoorzieningen grondexploitatie worden in de balans verrekend met de boekwaarde van de complexen.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.5
Beleidsregels bij mutaties van voorzieningen
Onderdeel van Nota reserves en voorzieningen gemeente Ermelo 2013