Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2016

1.. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 4 bedoelde instantie kan een persoonsgebonden budget verstrekken in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.. De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 4.. De hoogte van een persoonsgebonden budget is niet hoger dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. 5.. Het college stelt nadere regels vast over de hoogte en de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. 6.. Het college stelt nadere regels vast onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. 7.. Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde ondersteuning, de bestedingen van het persoonsgebonden budget, al dan niet steekproefsgewijs, worden gecontroleerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel