Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Eigen bijdrage

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2016

1.. Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd, voor zover dat bij of krachtens de wet mogelijk is. 2.. In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor collectief vervoer. 3.. Bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage gelden de bedragen en de percentages zoals genoemd in artikel 3.1, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 4.. De kostprijs van een persoonsgebonden budget of maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 5.. De hoogte van de eigen bijdrage gaat de kostprijs niet te boven. 6.. De hoogte van de eigen bijdrage is gebaseerd op de feitelijk aan de cliënt geleverde uren ondersteuning. 7.. De eigenbijdrage is, behoudens het bepaalde in het achtste lid, verschuldigd zolang de voorziening in gebruik is. 8.. De eigen bijdrage is voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget verschuldigd zolang de hierna volgende afschrijvingstermijnen niet zijn verstreken: 7 jaar voor vervoersvoorzieningen; 7 jaar voor roerende woonhulpmiddelen; 10 jaar voor woningaanpassingen, niet zijnde een aanbouw. 9.. Als de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 10.. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget door het CAK vastgesteld en geïnd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel