Voorzieningen
Het College kan een persoon behorende tot de doelgroep door het
aanbieden van een traject (laten) ondersteunen bij het zoeken
naar en verwerven van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede bij
het wegnemen van belemmeringen voor het zoeken en verwerven van
algemeen geaccepteerde arbeid of anderszins ondersteunen bij
maatschappelijke participatie .
Het traject kan bestaan uit de volgende voorzieningen:
vrijwilligerswerk: een voorziening zoals omschreven in
artikel 1 lid 2 sub p van deze verordening;
werkoriëntatie: een voorziening zoals omschreven artikel
1 lid 2 sub q van deze verordening;
gesubsidieerd werk : een voorziening zoals omschreven in
artikel 1 lid 2 sub r van deze verordening;
scholing;
kinderopvang;
het verstrekken van een premie per kalenderjaar aan de
uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt en alleenstaande ouders en
arbeidsgehandicapten, die zich hebben ingespannen
richting arbeidsmarkt door bijvoorbeeld een traject te
doorlopen en in voltijd en/of in deeltijd zijn gaan
werken;het verstrekken van een premie voor de
uitkeringsgerechtigde ouder dan 26 jaar die zes maanden
onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in
artikel 10a , zesde lid van de wet heeft verricht en
naar het oordeel van het College in die zes maanden
voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn
kans op arbeidsinschakeling in het arbeidsproces.
nazorg: activiteiten die er op gericht zijn uitstroom te
continueren ten einde hier een duurzaam karakter aan te
geven;
activiteiten in het kader van schuldhulpverlening :
activiteiten zoals schuldbemiddeling en schuldsanering
indien de schuldsituatie een belemmering vormt voor de
arbeidsinschakeling;
een participatieplaats;
een participatievoorziening beschut werk als bedoeld in
artikel 11 van deze verordening
een no-risk polis als bedoeld in artikel 12 van deze
verordening;
ondersteuning bij leerwerktraject als bedoeld in artikel
13 van deze verordening;
persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 14 van
deze verordening;
Voor zover de belanghebbende niet beschikt over
een startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na
aanvang van de onbeloonde additionele
werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a van de
wet door het College beoordeeld in hoeverre
scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting
van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Het college betrekt bij deze beoordeling:
in hoeverre belanghebbende de krachten en
bekwaamheden bezit om scholing of opleiding te
volgen;
het oordeel van degene in wiens opdracht de
belanghebbende de werkzaamheden uitvoert;
de scholingswens van belanghebbende.
Het College kan voor de uitvoering van het
traject, bedoeld in het tweede lid van dit
artikel, afspraken maken met derden, waaronder
werkgevers en re-integratiebedrijven.
Bij uitvoeringsbesluit stelt het College ten
aanzien van de voorzieningen, genoemd in het
tweede lid van dit artikel, nadere regels.
Voor het bepalen van de vorm en inhoud van het
plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet
, gelden de volgende regels:
het college stemt de ondersteuning af op de
individuele omstandigheden van de belanghebbende.
De ondersteuning kan bestaan uit de voorzieningen,
bedoeld in artikel 9 lid 2 van deze verordening
met uitzondering van de voorzieningen, bedoeld in
artikel 10a van de wet en in artikel 31, vijfde
lid van de wet.
het college bepaalt de wijze waarop en de mate
waarin de evaluatie van het plan van aanpak als
bedoeld in artikel 44a plaatsvindt.