Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 13

Reiskosten

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand Oosterhout 2016

1.. Voor het bezoeken van een in het ziekenhuis verpleegde partner dan wel bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, kan voor zover de kosten niet uit andere hoofde worden vergoed, bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal een keer per dag. 2.. Voor het bezoeken van een gedetineerde partner dan wel bloed- of aanverwant in de 1e graad, kan voor zover de kosten niet uit andere hoofde worden vergoed, bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal eenmaal per twee weken. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk indien de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting binnen Nederland en geen recht heeft op verlof. 3.. Voor het bezoeken van een uit huis geplaatst kind door de ouder(s) dan wel bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of omgekeerd bezoek van het opgenomen kind onder de 18 jaar aan het ouderlijk huis, kan bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die is opgesteld door de hulpverlenende instantie, voor zover de bezoekfrequentie niet meer bedraagt dan eenmaal per week. 4.. Voor het volgen van een opleiding of studie door ten laste komende kinderen kan bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. 5.. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend op basis van het tarief voor openbaar vervoer, voordeligste mogelijkheid, voor maximaal twee personen, dan wel bij eigen vervoer tegen een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer, kortste route (volgens de ANWB routeplanner). 6.. Wanneer de enkele reisafstand minder dan 10 kilometer bedraagt, wordt geen vergoeding verstrekt. 7.. In tegenstelling tot het genoemde in het vijfde lid van dit artikel wordt de hoogte van de bijzondere bijstand ten behoeve van reiskosten voor schoolgaande kinderen gebaseerd op de kosten van de goedkoopste wijze van reizen per openbaar vervoer naar de dichtstbijzijnde school van het gewenste onderwijstype voor zover deze buiten de straal van 10 km ligt.

Rechtspraak bij dit artikel