Naar hoofdinhoud
De gemeente hanteert geen inkomensgrens voor de toegang tot de Wmo. Iedere inwoner die een beperking ervaart in zijn zelfredzaamheid en/of participatie, kan een melding doen. De gemeente gaat met de inwoner in gesprek. Hierin komt aan de orde in hoeverre de inwoner zelf, of met hulp van zijn omgeving kan voorzien in een oplossing, of dat een algemene voorziening een oplossing kan bieden of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. 1.1Algemene voorzieningen (artikel 3.1 en artikel 4.1 lid 2 onder e van de Verordening) Algemene voorzieningen kunnen zijn: commerciële diensten zoals een maaltijdvoorziening of een boodschappenbezorgdienst van een supermarkt, maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals activiteiten in een buurthuis, een inloopvoorziening, een klussendienst of een restaurant van een verzorgingshuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten. Onder algemene voorzieningen vallen ook algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen die normaal in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, ook door mensen zonder beperkingen worden aangeschaft en gebruikt en die niet aanzienlijk duurder zijn dan voorzieningen met vergelijkbare functies. Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet rekening gehouden worden met de persoonskenmerken en de financiële mogelijkheden van de cliënt. Door (een) aantoonbaar plotseling optredende beperking(en) kan het nodig zijn dat een, voor de persoon als de aanvrager, op zich algemeen gebruikelijke voorziening moet worden vervangen voordat deze voorziening is afgeschreven. Als het inkomen door de kosten van de algemeen gebruikelijke voorziening onder het voor de cliënt geldende sociaal minimum komt, kan er verstrekking via maatwerkvoorziening mogelijk zijn. Als sociaal minimum wordt aangemerkt het inkomen dat gelijk of lager is dan het bijdrageplichtige inkomen zoals bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit betekent 120% van het minimuminkomen voor de aanvrager, rekening houdend met het vrij te laten vermogen voor minimaregelingen. 1.2 Langdurig noodzakelijk (artikel 4.8 lid 2, artikel 4.10 lid 1 en 2 en artikel 4.11 van de Verordening) Onder ‘langdurig noodzakelijk’ bij woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden of indien het een blijvende situatie betreft. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan. Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, kan het ook om een kortere periode gaan, bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van langdurig noodzakelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel